De Werelddominantiegroep: waarschuwingen vůůr 11 september en verkiezingsonregelmatigheden in hun context

Belangrijke instellingen en andere organisaties

Afkort. Naam
CIA Central Intelligence Agency
DoD Department of Defense
DoS Department of State
CFR Council on Foreign Relations
DoJ Department of Justice
DoC Department of Commerce
WHOMB White House Office of Management and Budget
DoE Department of Energy
DPB Defense Policy Board
DoT Department of Transportation
NSA National Security Agency

Bijlage A

Bedrijf: Defensiecontract 2004 Inkomst. tot. Defensie %
Lockheed Martin Corporation $20,690,912,117 $35,526,000,000 58%
General Dynamics Corporation $ 9,563,280,236 $19,178,000,000 50%
Raytheon Company $ 8,472,818,938 $20,245,000,000 42%
Northrop Grumman Corporation $11,894,090,277 $29,853,000,000 40%
Halliburton Company $ 7,996,793,706 $20,464,000,000 39%
Science Applications Internat. $ 2,450,781,108 $ 7,187,000,000 34%
The Boeing Company $17,066,412,718 $52,457,000,000 33%
The Carlyle Group $ 1,442,680,446 Niet beschikbaar NB
Bell Boeing Joint Program $ 1,539,815,440 Niet beschikbaar NB
Deze cijfers zijn afkomstig van Mergent Online Database.

Bijlage B:

Organisaties die steun bieden aan de Werelddominantiegroep

Afkort. Naam
PNAC Project For New American Century
HO Hoover Institute
AEI American Enterprise Institute
HU Hudson Institute
NSC National Security Council
HF Heritage Foundation
DPB Defense Policy Board
CPD Committee on Present Danger
JINSA Jewish Institute of National Security Affairs
MI Manhattan Institute
CLI Committee for the Liberation of Iraq
CSP Center for Security Policy: Institute for Strategic Studies
CSIS Center for Strategic and International Studies
NIPP National Institute for Public Policy
AIPAC American Israel Public Affairs Committee
Team B Presidents Foreign Advisory Board
Aantekening: Bij het selecteren van de 16 belangrijkste neoconservatieve organisaties die de Werelddominantiegroep ondersteunen zijn we vooral uitgegaan van de websites van het International Relations Center website: http://rightweb.irc-online.org/, die van het Center for Public Integrity, http://www.publicintegrity.org, en andere bronnen die in deze studie worden genoemd.

Door Peter Philips, Bridget Thornton en Celeste Vogler

Op dit moment wordt de leidende klasse in de Verenigde Staten gedomineerd door een neoconservatieve groep mensen met een gezamenlijk doel: het wereldwijd handhaven van de Amerikaanse militaire controle. Deze Werelddominantiegroep (WDG) heeft zich in samenwerking met de grote wapenleveranciers ontwikkeld tot een sterke kracht binnen het wereldwijde militaire unilateralisme en de Amerikaanse politieke ontwikkelingen.

Dit onderzoek is een poging om de algemene kenmerken te bepalen van de sleutelspelers die een agenda voor de werelddominantie ondersteunen en om vast te stellen hoe deze groep collectief heeft geprofiteerd van de gebeurtenissen van 11 september 2001 en de onregelmatigheden tijdens de presidentsverkiezingen van 2004. Deze studie onderzoekt hoe in elkaar grijpende publiek-private partnerschappen, inclusief de media, pr-firma's, wapenleveranciers, de politieke elite en regeringsfunctionarissen, gemeenschappelijk een Amerikaanse wereldwijde dominantieagenda ondersteunen. We stellen de traditionele sociologische vragen met betrekking tot wie er wint, wie beslist en wie de activiteiten in het machtigste militair-industriŽle complex ter wereld vergemakkelijkt.

Er is een lange reeks van sociologische onderzoeken die het bestaan van een dominante heersende klasse in de Verenigde Staten documenteert, een klasse die het beleid en de politieke prioriteiten van het land bepaalt. De Amerikaanse heersende klasse is complex en onderling competitief. Ze handhaaft zichzelf door de onderlinge wisselwerking van families van een hoge maatschappelijke status die dezelfde levensstijl erop nahouden, onderlinge bedrijfsmatige banden hebben, lid zijn van elitaire clubs en naar privť-scholen gaan.(1)

De Amerikaanse heersende klasse is vastbesloten zichzelf in stand te houden,(2) evenals haar invloed op beleidsbepalende instellingen als de National Manufacturing Association, de National Chamber of Commerce, de Business Council, de Business Roundtable, de Conference Board, het American Enterprise Institute, de Council on Foreign Relations en andere groeperingen uit de zakenwereld met invloed op de politiek.(3)

C. Wright Mills beschrijft in 1956 in zijn boek over de machtselite hoe de Tweede Wereldoorlog een machtsdrie-eenheid in de VS vormde die de elites uit de zakenwereld, het leger en regeringskringen verenigde in een gecentraliseerde machtsstructuur die gemotiveerd werd door de belangen van haar klasse en eendrachtig samenwerkte dankzij de contacten en de overeenkomsten in de "hogere kringen". Mills beschrijft de machtselite als "degene die alles beslist wat er te beslissen valt" als het gaat om de echt belangrijke kwesties.(4)

Deze beslissers uit de hogere kringen hielden zich meer bezig met de organisatie van hun onderlinge verhoudingen en met het functioneren van de economie als geheel in plaats van met het behartigen van hun eigen afzonderlijke bedrijfsbelangen.(5)

De politieke elites uit de hogere kringen (higher circle policy elites, HCPE) vormen een segment van de Amerikaanse aristocratie en zijn de voornaamste beslissers in de maatschappij. Ze hebben weliswaar een soort van 'wij-gevoel', maar zijn het over specifieke beleidsplannen en het ondernemen van actie in verschillende sociaal-politieke omstandigheden vaak oneens.(6) Deze onenigheden kunnen agressieve reactionaire antwoorden op sociale bewegingen en burgerlijk ongenoegen in de weg staan, zoals het geval was ten tijde van de arbeidersbeweging in de jaren '30 en de burgerrechtenbeweging in de jaren '60 van de vorige eeuw. Tijdens deze twee periodes domineerden de progressievere elementen van de HCPE het besluitvormingsproces en steunden het aannemen van de National Labor Relations and Social Security Acts in 1935 en de Civil Rights and Economic Opportunities Acts in 1964. Deze onderdelen van de nationale wetgeving werden gezien als concessies aan de heersende sociale bewegingen en het burgerlijk ongenoegen. Ze werden uitgevoerd en er werd geen repressiever beleid opgelegd.

Tijdens periodes van externe bedreigingen door de vijanden van de VS in de Eerste en Tweede Wereldoorlog was de HCPE eensgezinder. Gedurende deze twee periodes waren de conservatievere/reactionairdere elementen van de HCPE in staat zich op de voorgrond te dringen. In de loop van en na de Eerste Wereldoorlog reageerden de VS met repressie op de sociale bewegingen door middel van de Palmer Raids en de aanname van de Espionage Act van 1917 en de Sedition Act van 1918. Na de Tweede Wereldoorlog waren er de aanvallen van McCarthy op progressieven en radicalen, evenals het aannemen van de National Security Act in 1947. Ook werd de antivakbondswet van Taft-Hartley aangenomen; dit alles werd toegestaan en aangemoedigd door de HCPE.

De Koude Oorlog leidde tot een voortdurende wapenwedloop en een versterking van de gezamenlijke belangen van de strijdkrachten en het bedrijfsleven. In 1961 waarschuwde president Eisenhower in een toespraak aan de natie voor deze toenemende machtsconcentratie:

"Onze huidige militaire organisatie staat in geen verhouding tot de organisatie die mijn voorgangers in vredestijd kenden, en zelfs niet tot het aantal soldaten in de Tweede Wereldoorlog of in Korea.

Tot aan het meest recente wereldconflict kenden de Verenigde Staten geen wapenindustrie. Amerikaanse fabrikanten van ploegscharen konden, na de tijd die daarvoor nodig was, op verzoek ook zwaarden maken. Nu kunnen we ons tijdens noodgevallen echter geen improvisaties meer veroorloven. We worden gedwongen een uitgebreide wapenindustrie in het leven te roepen. Ook zijn er nu drieŽnhalf miljoen mensen direct betrokken bij het defensieapparaat en jaarlijks besteden we aan onze strijdkrachten meer dan het netto inkomen van alle Amerikaanse bedrijven.

Deze combinatie van een gigantische militaire organisatie en een grote wapenindustrie is ongekend in de Amerikaanse geschiedenis. De gehele invloed ervan - op economisch, politieel en zelfs op mentaal gebied - is merkbaar in elke stad, in het kantoor van elke staat en in elk bureau van de federale regering. De noodzaak hiertoe zien wij onder ogen. Toch moeten we de ernstige gevolgen die deze ontwikkeling met zich meebrengt niet veronachtzamen. Ze heeft effect op onze inspanningen, onze hulpbronnen en ons levensonderhoud en daarmee op de structuur van onze samenleving zelf.

Op regeringsniveau moeten we ons hoeden voor beschuldigingen van moedwillige of ongewilde beÔnvloeding door het militair-industriŽle complex. Het gevaar van een rampzalige opkomst van misplaatste macht bestaat en zal voortduren."(7)

De steun van de HCPE voor de voortzetting van de militaire expansie na de Tweede Wereldoorlog was wezenlijk anders dan het geval was na de Eerste Wereldoorlog. In de jaren '20 van de vorige eeuw voelde de HCPE zich ongemakkelijk bij oorlogswinsten en de macht van de wapenindustrie. Na de Tweede Wereldoorlog, waarna de Koude Oorlog, Korea en nog later Vietnam volgden, bleef de HCPE de tot dusver ongekende militaire uitgaven ondersteunen.(8)

De top-100 van de militaire contractanten tijdens de Tweede Wereldoorlog ontving tussen 1939 en 1945 drie miljard dollar, waardoor haar vermogen met 62 procent toenam. De vijf belangrijkste belangengroeperingen, Morgan, Mellon, Rockefeller, Dupont en Cleveland Steel hadden de controle over tweederde van de onderaannemers in de Tweede Wereldoorlog en speelden een sleutelrol in het streven van de HCPE naar een voortzetting van de hoge uitgaven aan het militaire apparaat.(9)

Economische motieven, in combinatie met de vrees die gepaard ging met de Koude Oorlog, zetten de HCPE aan tot een ongeziene bereidheid om hieraan bij te dragen, hetgeen leidde tot een permanent militair-industrieel complex. Van 1952 tot na de ineenstorting van de Sovjet-Unie handhaafden de VS het defensiebudget op 25-40 procent van de totale federale begroting, met uitschieters tijdens de Korea- en de Vietnamoorlog en het presidentschap van Reagan.(10)

Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie sloeg de rationele basis weg voor het continueren van de militaire uitgaven op het Koude Oorlog-niveau, en verschillende groepen binnen de HCPE zagen in 1990, terwijl ze de overwinning op het communisme vierden, de mogelijkheid tot beter uitgebalanceerde budgetten en investeringen in vredelievender projecten. In het begin van 1992 riep Edward Kennedy op tot het afromen van het defensiebudget met 210 miljard dollar, uitgesmeerd over enkele jaren en tot het uitgeven van 60 miljard aan wereldwijde gezondheidszorg, sociale woningbouw en de verbetering in de transportsector.(11) In het voorjaar van 1992 bleek echter dat er in Washington wijdverbreide steun was tegen wezenlijke besparingen op defensieuitgaven. In dat jaar kon de Senaat met 50 stemmen tegen en 48 voor niet voorkomen dat Republikeinen en conservatieve Democraten een overheveling van geld van het defensiebudget naar binnenlandse programma's tegenhielden.(12) In 1995 betoogde minister van Defensie Lee Aspin - die tijdens zijn ambtstermijn onder Clinton minimale bezuinigingen op het Pentagon-budget doorvoerde - dat de uitgaven hoog moesten blijven, vooral voor de inlichtingendiensten "ter bestrijding van het terrorisme en de drugshandel".(13) Tegen 1999 betreurde men alleen in krantencommentaren nog het schrappen van de plannen om te besparen op het defensiebudget ten gunste van investeringen in niet-militaire projecten.(14)

Op hetzelfde moment waarop progressievere elementen van de HCPE hier nog wel op aandrongen, bepleitte een neoconservatieve groepering om de val van de Sovjet-Unie te beschouwen als een kans om de wereld een Amerikaanse militaire dominantie op te leggen.

De fundamenten van de Global Dominance Group

Paul Wolfowitz, Allan Bloom en Bloom's leerling Richard Perle schrijven het propageren van de neoconservatieve agenda ten volle toe aan Leo Strauss, Albert Wohlstetter en anderen van de Universiteit van Chicago die werkzaam waren in het Committee on Social Thought. 'Adbuster' omschrijft het neoconservatisme als:

"Het geloof dat de democratie, hoe ontsierd ook, het beste verdedigd wordt door een onwetende bevolking die doordrenkt is van nationalisme en religie. Alleen een militant nationalistische natie kan menselijke agressie ontmoedigen. Een dergelijk nationalisme vereist een externe dreiging en als deze niet gevonden kan worden moet ze worden gecreŽerd."(15)

De neoconservatieve filosofie spruit voort uit de jaren '60 die gepaard gingen met sociale revoluties en politieke correctheid en was een tegenreactie op de zich uitbreidende progressiviteit en het cultuurrelativisme. Talrijke functionarissen en anderen die zich verbonden hadden aan de presidentschappen van Reagan en George H.W. Bush waren sterk beÔnvloed door de neoconservatieve filosofie, onder wie: John Ashcroft, Charles Fairbanks, Dick Cheney, Kenneth Adelman, Elliot Abrams, William Kristol en Douglas Feith.(16)

In de regering Ford bestond er tweespalt tussen traditionele Koude Oorlog-denkers die de confrontatie door middel van diplomatie en ontspanning wilden minimaliseren en neoconservatieven die een krachtiger confrontatie met de Sovjet-Unie, het "Rijk van het Kwaad" voorstonden. Deze laatste groepering kon zich steviger verankeren toen George H.W. Bush directeur van de CIA werd. Bush stond de vorming van 'Team B' toe, geleid door Richard Pipes die samen met Paul Wolfowitz, Lewis Libby, Paul Nixte en anderen die samen het 'Committee on the Present Danger' vormden om bewustzijn te kweken met het oog op de Sovjet-dreiging en voor de noodzaak van een voortdurend krachtig en agressief defensiebeleid. Hun inspanningen leidden tot een krachtige anti-Sovjet-houding tijdens het bewind van Reagan.(17)

Journalist John Pilger herinnert zich hoe hij de neoconservatief Richard Perle tijdens de regering Reagan interviewde:

"Ik interviewde Perle: toen hij een van Reagan's adviseurs was en hij het over een "totale oorlog" had, deed ik hem ten onrechte af als krankzinnig. Onlangs hanteerde hij die term nog om de Amerikaanse 'oorlog tegen het terrorisme' te omschrijven. "Geen fases", zei hij, "dit is een totale oorlog. We bestrijden een grote variŽteit aan vijanden. Er lopen er genoeg rond. Al dat gepraat over eerst gaan we naar Afghanistan en vervolgens naar Irak... dat is een totaal verkeerde manier om ermee om te gaan. Als we gevolg geven aan onze visie op de wereld, als we die volkomen omarmen en als we in plaats van het uitdenken van een subtiele diplomatie gewoon een totale oorlog ontketenen, dan zullen jaren later de kinderen heldhaftige liedjes over ons zingen."(18)

Met de verkiezing van George H.W. Bush tot president en de benoeming van Dick Cheney als minister van Defensie breidde de aanwezigheid van neoconservatieven binnen de regering zich uit en na de val van de Berlijnse Muur in 1989 werd het mogelijk de wereldwijde dominantie tot beleid te maken.

In 1992 steunde Cheney Lewis Libby en Paul Wolfowitz bij de samenstelling van het rapport 'Defence Planning Guidance', waarin de Amerikaanse wereldwijde militaire dominantie in een 'nieuwe orde' gepropageerd wordt. Het rapport roept de Verenigde Staten op om de militaire superioriteit nog verder op te voeren en de opkomst van nieuwe rivalen die de VS op het wereldtoneel zouden kunnen verdringen te voorkomen. Met gebruikmaking van termen als "eenzijdige actie" en "vroegtijdige aanwezigheid" bepleit het rapport dat de VS vrienden en vijanden gelijkwaardig zullen domineren. Het rapport besluit met de stelling dat de VS deze positie het best kunnen bereiken door het verwerven van de "absolute macht".(19)

De "Defence Policy Guidance" lekte uit naar de pers en kreeg zware kritiek te verduren van veel leden van de HCPE (Higher Circle Policy Elites). De 'New York Times' berichtte op 11 maart 1992 dat:

"Vooraanstaande medewerkers van het Witte Huis en het Pentagon een ontwerpbeleidsverklaring van het Pentagon scherp hebben bekritiseerd. In dit ontwerp wordt de missie van de VS in het tijdperk na de Koude Oorlog uiteengezet. Deze komt neer op het voorkomen dat een aantal bevriende of vijandige naties gaan concurreren met de Verenigde Staten om het bereiken van de status van supermacht."(20)

Een regeringsfuctionaris die vertrouwd was met de reacties van belangrijke medewerkers van het Witte Huis en het ministerie van Buitenlandse Zaken omschreef het document als een "dom rapport" dat "op geen enkele wijze het Amerikaanse beleid weergeeft". De Democratische senator Robert C. Byrd uit Virginia noemde het document van het Pentagon "kortzichtig, oppervlakkig en teleurstellend".(21) Veel vertegenwoordigers van de HCPE waren nog niet toe aan een eenzijdige wereldwijde dominantieagenda, en met de verkiezing van Bill Clinton in 1992 verdwenen de meeste neoconservatieven voor acht jaar uit het centrum van de macht.

De HCPE binnen beide grote politieke partijen willen de wereldwijde Amerikaanse militaire slagkracht handhaven. Ze werken samen om het Congres aan te moedigen de Amerikaanse zakenbelangen in het buitenland en de bedrijfswinsten in het binnenland te beschermen. Om de winsten van de militaire contractanten te verzekeren riep Clinton's Defense Science Board op tot een geglobaliseerde defensie-industrie, die tot stand zou moeten komen door de fusie van militaire contractanten met multinationals. Zij zouden partners moeten worden met als doel de handhaving van de Amerikaanse militaire status.(22)

James Woolsey, Clinton's CIA-directeur van 1993 tot 1995 die omschreven werd als een hard-liner in het buitenlands beleid, was voorstander van een constant krachtig defensiebeleid.(23) De regering Clinton hield zich niet bezig met het promoten van de wereldwijde dominantie als ideologische rechtvaardiging voor steeds hoger wordende defensiebudgetten. Om winstdalingen voor de defensie-industrie na de val van de Berlijnse Muur tegen te gaan bevorderde de regering Clinton op een fanatieke manier de internationale wapenverkoop. Het aandeel van de VS in de wapenexport steeg van 16 procent in 1988 tot 63 procent in 1997. (24)

Ook onder Clinton werd er in het rapport 'Vision for 2020' van het US Space Command van 1996 opgeroepen tot een "Dominantie in het volledige spectrum" waarbij superioriteit te land, ter zee en in de lucht verbonden werd aan de suprematie van de Amerikaanse satellieten en de militarisering van de ruimte.(25)

Buiten de regering Clinton bleven neoconservatieve HCPE hun agenda van wereldwijde dominantie propageren. Op 4 juni 1994 werd er een neoconservatieve lezing, een zogenaamde 'Lakeside Chat' gegeven tijdens de zomerbijeenkomst in de Bohemian's Club in San Francisco, waarbij ongeveer 2000 vertegenwoordigers van de regionale en landelijke elite aanwezig waren. De lezing getiteld 'Violent Weakness' werd gehouden door een hoogleraar politieke wetenschappen van de Universiteit van Berkeley. Hij vestigde de aandacht op hoe het toenemende geweld in de samenleving onze sociale instellingen verzwakt. Biseksualiteit, de politiek als entertainment, multiculturalisme, het afro-centrisme en zwakkere familiebanden zouden bijdragen aan dit geweld. De hoogleraar betoogde dat om een verdere achteruitgang te voorkomen we onder ogen moeten zien dat "elites die gebaseerd zijn op verdiensten en bekwaamheid belangrijk zijn voor de samenleving en dat elke elite die zichzelf niet definieert ten dode is opgeschreven. Er moeten duidelijke waarden en grenzen vastgesteld worden! We hebben behoefte aan een buitenlandse politiek die de Amerikanen centraal stelt en aan een president die inzicht heeft in het buitenlands beleid." Hij vervolgde door te stellen dat we de "ongekwalificeerde" massa niet kunnen toestaan om politiek te bedrijven, en dat het aan de elites is om de waarden vast te stellen die vertaald kunnen worden tot "de standaard van de autoriteit". De lezing werd vol vuur voorgedragen en met een enthousiaste staande ovatie ontvangen door de leden.(26)

Tijdens de regering Clinton bleven de neoconservatieven binnen de HCPE actief de wereldwijde militaire dominantie bepleiten. Veel neoconservatieven en hun bondgenoten op het gebied van de wereldwijde dominantie vonden verschillende betrekkingen binnen conservatieve denktanks en bij contractanten van het ministerie van Defensie. Ze bleven de onderlinge banden aanhalen door middel van de Heritage Foundation, het American Enterprises Institute, het Hoover Institute, het Jewish Institute for National Security Affairs (JINSA), het Center for Security Policy en enkele andere conservatieve beleidsgroeperingen. Een aantal van hen sloot zich aan bij rechtse periodieken, zoals de 'National Review' en de 'Weekly Standard'. In 1997 kregen ze subsidie van conservatieve stichtingen om het Project for the New American Century (PNAC) op te starten.

Elementen uit de HCPE die pleiten voor een door de VS geleide 'Nieuwe Wereldorde' richtten in juni 1997 samen met haviken uit de kringen van Reagan/Bush en andere militaire voorstanders van de militaire expansiepolitiek het PNAC op. In hun 'Principeverklaring' riepen ze op tot de noodzaak van leidende principes voor het buitenlandse VS-beleid en de creatie van een strategische visie voor de rol van de Verenigde Staten in de wereld. Met de volgende verklaring zette PNAC zijn doelstellingen uiteen:

De verklaring werd ondertekend door Elliott Abrams, Gary Bauer, William J. Bennett, Jeb Bush, Dick Cheney, Eliot A. Cohen, Midge Decter, Paula Dobriansky, Steve Forbes, Aaron Friedberg, Francis Fukuyama, Frank Gaffney, Fred C. Ikle, Donald Kagan, Zalmay Khalilzad, I. Lewis Libby, Norman Podhoretz, Dan Quayle, Peter W. Rodman, Stephen P. Rosen, Henry S. Rowen, Donald Rumsfeld, Vin Weber, George Weigel en Paul Wolfowitz. Van de 25 grondleggers van het PNAC werden er later 12 benoemd op hoge posities binnen de regering van George W. Bush (28).

Sinds de oprichting heeft het PNAC nog talrijke anderen aangetrokken die beleidsbrieven hebben ondertekend of deelnamen aan de groep. Binnen het PNAC zijn acht personen verbonden aan de grootste defensiecontractant Lockheed-Martin en zeven aan de op een na grootste, Northrop Grumman.(29) Het PNAC is een van de instellingen die de voorstanders binnen de HCPE verbinden aan de grote Amerikaanse militaire contractanten.(30) In september 2000 bracht het PNAC een 76 pagina's tellend rapport uit, getiteld 'Rebuilding America's Defenses: Strategy, Forces and Resources for a New Century'.(31) Dit rapport was te vergelijken met de 'Defence Policy Guidance' van Lewis Libby en Paul Wolfowitz uit 1992. Het is dan ook niet verrassend dat Libby en Wolfowitz ook bijdroegen aan het PNAC-rapport van 2000. Ook Steven Cambone, Doc Zakheim, Mark Lagan en David Epstein waren er in hoge mate bij betrokken. Allemaal zouden ze hoge posities gaan bekleden in de regering van George W. Bush.(32)

'Rebuilding America's Defenses' riep op tot de binnenlandse bescherming van de Verenigde Staten, het vermogen om verschillende oorlogen tegelijk te voeren, het spelen van een wereldwijde politierol, en de controle over de ruimte en de cyberspace. Het rapport verkondigde duidelijk dat de defensie in de jaren '90 verwaarloosd was en dat de VS de militaire uitgaven omhoog moesten brengen om het Amerikaanse geopolitieke leiderschap als enige supermacht te kunnen behouden. Ook stelde het rapport dat, om een 'Pax Americana' te laten voortduren, potentiŽle rivalen zoals China, Iran, Irak en Noord-Korea in bedwang moesten worden gehouden. Verder vermeldde het rapport dat "dit transformatieproces waarschijnlijk lang gaat duren, een catastrofale en katalyserende gebeurtenis als een nieuw Pearl Harbour buiten beschouwing gelaten".(33) De gebeurtenissen van 11 september 2001 vormden precies de catastrofe waarover de auteurs van 'Rebuilding America's Defenses' getheoretiseerd hadden en die nodig zou zijn om de wereldwijde dominantieagenda te bespoedigen.

Vůůr 11 september zou de ontwikkeling van het beleid om de wereld strategisch te domineren waarschijnlijk bestreden worden door Congresleden en progressievere elementen binnen de HCPE, die vasthielden aan een buitenlandse ontspanningspolitiek gebaseerd op begrip, zoals die van oudsher voorgestaan werd door de Council of Foreign Relations en het ministerie van Buitenlandse Zaken. Progressievere en gematigder HCPE van verschillende denktanks, beleidsraden en universiteiten hoopten nog steeds op meer investeringen in de vrede, wat zou leiden tot lagere belastingen, de voortzetting van sociale programma's en van een buitenlandse politiek die meer gebaseerd was op een machtsevenwicht dan op een eenzijdige Amerikaanse wereldwijde dominantie. Ook maakten veel HCPE zich er zorgen over dat de stijgende budgetten voor de strijdkrachten zouden leiden tot begrotingstekorten. Deze progressieve/gematigde HCPE waren zo geschokt door 11 september dat ze zich uit angst voor het terrorisme onmiddellijk verenigden in hun steun aan de Patriot Act, de Homeland Security en de wetgeving die militaire actie in Afghanistan en later in Irak mogelijk maakte. De hieruit voortkomende permanente oorlog tegen het terrorisme leidde tot gigantische overheidsuitgaven en een enorme versnelling van de plannen van de neoconservatieve plannen voor de militaire overheersing van de wereld.(34)

Het onderscheiden van de Global Dominance-voorstanders binnen de HCPE (Higher Circle Policy Elites)

Een groep bedrijven profiteerde in het bijzonder van de contracten die zij dankzij de stijging van de militaire uitgaven kregen van het ministerie van Defensie en dat van Binnenlandse Veiligheid. In deze studie bekijken we de zeven grootste wapenleveranciers nader. Zij hebben minstens eenderde van hun inkomen te danken aan contracten met het ministerie van Defensie. Ook voegen we er de Carlyle Group en de Bechtel Group aan toe, vanwege hun hoge mate van politieke invloed en omdat veel werknemers van deze bedrijven ook in dienst waren van de regeringen van Reagan en van vader en zoon Bush. (35) Deze bedrijven hebben duidelijk geprofiteerd van het beleid na 11 september. Onze doelen zijn het identificeren van de belangrijkste voorstanders van een wereldwijd dominantiebeleid binnen de HCPE en van de voornaamste profiteurs van deze politiek. We denken dat we door het aanwijzen van de belangrijkste voorstanders van het beleid en de bedrijfshoofden die het meest te winnen hebben bij een beleid van wereldwijde dominantie een begin kunnen maken met karakteriseren van de personen binnen de HCPE die betrokken zijn bij de Werelddominantiegroep (GDG).

Aan de hand van de algemene kenmerken van de GDG kan inzichtelijk worden gemaakt wie beschikte over de middelen, de gelegenheid en de motieven om na 11 september de aanzet te geven tot een versnelling van de neoconservatieve militaire expansie, met als doel het bereiken van een wereldwijde militaire dominantie op elk gebied.

Inzicht in de kenmerken van de GDG zal onderzoekers ook in staat stellen om de mogelijkheid van voorkennis van de aanslagen op 11 september bij insiders te onderzoeken. Het betreft hier klassieke sociologische vragen van wie er wint of verliest binnen klassenstructuren, de beleidsprocedures en de besluitvorming. Het doel van deze studie is niet het identificeren van personen die betrokken waren bij specifieke handelingen voor of na 11 september. Wel proberen we die sociologische verschijnselen te onderzoeken waarbij deelnemers aan de GDG als collectief binnen de HCPE in theorie beschikten over motief, middel en gelegenheid om te profiteren van een dergelijke gebeurtenis.

Om de kenmerken van de GDG vast te stellen hebben we de raad van directeuren van negen bedrijven die contracten kregen van Defensie in de lijst opgenomen; bedrijven die eenderde van hun inkomsten te danken hebben aan de regering of die veel politieke invloed hebben. Ook betrekken we er de leden van zestien vooraanstaande conservatieve stichtingen en beleidsadviesbureaus bij die de wereldwijde dominantie ondersteunen.

De verbindingen en associaties die weergegeven zijn in onze GDG-lijst lopen niet altijd een op een, maar geven verbanden weer die zich in twee decennia stevig hebben verankerd binnen een steeds belangrijker wordende groep van de Amerikaanse HCPE. De lijst bevat 236 namen van personen die op dit moment hoge posities bekleden of tot voor kort hebben bekleed in de regering van George W. Bush, die deel uitmaken van de raad van directeuren van bedrijven die belangrijke defensiecontracten in de wacht slepen en/of hecht verbonden zijn aan deze personen en zich binnen beleidsadviesbureaus en stichtingen profileren als voorstanders van de GDG.

Het bepalen wie er in een dergelijke lijst moet worden opgenomen en hoe ver de verbanden reiken is moeilijk. We zijn echter van mening dat we erin zijn geslaagd de kern van de GDG in de Verenigde Staten te onderscheiden. De belangrijkste deelnemers eraan zijn gerangschikt in bijlage B. Deze personen zijn de krachtigste voorstanders van de wereldwijde militaire dominantie gebleken en/of zijn de belangrijkste profiteurs van een dergelijk Amerikaans beleid. Ze kennen elkaar veelal dankzij hun lange actieve periodes in politieke kringen, bedrijfsdirecties, raadgevende instanties, regeringsinstellingen en specifieke projecten.

Hoewel er veel meer onderzoek naar de GDG moet worden gedaan kunnen we nu de kenmerken en de operationele methoden beginnen te begrijpen, door het zichtbaar maken van de verbanden tussen de belangrijkste wapenleveranciers en de GDG en de voordelen van het GDG-beleid voor deze bedrijven, zoals Lockheed Martin, Halliburton, Carlyle en Northrop-Grumman.

Wie profiteert er van het GDG-beleid?

Lockheed Martin heeft in belangrijke mate profijt getrokken van de militaire uitbreiding zoals die na 11 september door de GDG werd gestimuleerd. Het budget van het Pentagon voor de aanschaf van nieuwe wapens steeg van 61 miljard dollar in 2001 tot 80 miljard in 2004. De verkopen van Lockheed Martin stegen in deze periode met 30 procent en men kan nog contracten ter hoogte van tientallen miljarden verwachten. De waarde van de aandelen Lockheed Martin steeg tussen 2000 en 2004 met 300 procent.

Journalist Tim Weiner van de New York Times schreef in 2004: "Geen enkele wapenleverancier bevindt zich in een betere positie om zaken te doen in Washington. Bijna 80 procent van de inkomsten is afkomstig van de Amerikaanse regering. Een groot gedeelte van de rest is afkomstig uit de wapenhandel met het buitenland, waarvan een groot deel met belastinggeld wordt gefinancierd."(36)

In augustus 2005 hadden de aandeelhouders van Lockheed Martin in een periode van 12 maanden een winst van 18 procent gemaakt op hun aandelen.(37) Northrop-Grumman liet de afgelopen drie jaar een vergelijkbare groei zien. De hoogte van de defensiecontracten steeg van 3,2 miljard dollar in 2001 tot 11,1 miljard in 2004.(38)

Halliburton, met vice-president Dick Cheney als vroegere hoofddirecteur, heeft een spectaculaire groei doorgemaakt sinds 2001. In 2001 bedroegen de defensiecontracten van het bedrijf 427 miljoen dollar. Tegen 2003 was dit bedrag gestegen tot 4,3 miljard, voor eenderde bestaande uit exclusieve contracten.(39) Het is niet toevallig dat Cheney nog steeds een achterstallig salaris van Halliburton ontvangt. Volgens de boekhouding ontving hij in 2001 $205.298; in 2002 $162.392; in 2003 $178.437; en in 2004 $194.852. De waarde van zijn aandelenpakket Halliburton steeg van $241.498 in 2004 naar 8 miljard in 2005.(40)

De Carlyle Group die in 1987 werd opgericht is een mondiaal opererende investeringsfirma die beschikt over een vermogen van 30 miljard dollar. Talrijke hooggeplaatste personen binnen de GDG zijn bij Carlyle in dienst geweest, zoals Frank Carlucci, George H.W. Bush, James Baker III, William Kennard en Richard Darman. In 1997 kocht Carlyle United Defense aan. Na 11 september werden de aandelen in dit bedrijf verkocht waarbij een winst van 1 miljard dollar werd gemaakt.(41) Carlyle blijft investeren in wapenleveranciers en begeeft zich nu ook op het terrein van de binnenlandse veiligheid.(42)

De steun voor de GDG loopt door tot in het heden. Tom Donnely, deelnemer aan het PNAC, medewerker van het American Enterprise Institute en voormalig hoofd communicatie van Lockheed Martin, publiceerde in mei 2005 een boek waarin hij pleitte voor een verhoging van het defensiebudget met eenderde tot 600 miljard dollar en nog eens 150.000 extra soldaten in actieve militaire dienst. Donnelly roept op tot de voortzetting van de huidige 'Pax Americana', een eufemisme van de GDG voor de wereldwijde militaire dominantie van de Verenigde Staten.(43)

Publiek-private partnerschappen

Het is van het grootste belang de winstmotieven van de belangrijkste wapenleveranciers niet te onderschatten. De promotie van een agenda voor de wereldwijde dominantie behelst echter ook zowel neoconservatieve ideologische overtuigingen als de instelling op het hoogste regeringsniveau van extreem machtige permanente publiek-private partnerschappen met als doel het creŽren van een in elkaar grijpend mondiaal controlenetwerk. De continue privatisering van de defensiesector is slechts een voorbeeld van deze trend. (44)

Een ander voorbeeld is de recente benoeming van Paul Wolfowitz, voormalig onderminister van Defensie, als hoofd van de Wereldbank. Door zijn aanstelling heeft de GDG in haar streven naar de volledige wereldwijde dominantie een stevige grip gekregen op nog een belangrijk instituut.

De agenda van de GDG houdt ook in het binnendringen binnen de bestuurskamers van de grote mediabedrijven in de VS. Een onderzoeksteam van de Sanoma State University legde onlangs de laatste hand aan een onderzoek naar de raden van bestuur van de tien grootste mediabedrijven in de VS. Het team stelde vast dat de raden van bestuur van de tien grootste mediagiganten samen uit slechts 118 personen bestaan. Deze 118 personen maken op hun beurt deel uit van directies van 288 nationale en internationaal opererende bedrijven. Vier van de 10 mediabedrijven uit de top-10 hebben leden van de GDG, wapenleveranciers voor Defensie, in hun raad van bestuur onder wie:(45)

Het aaneengesloten medianetwerk in aanmerking genomen kan gerust gesteld worden dat de grote media in de Verenigde Staten de belangen van het Amerikaanse bedrijfsleven effectief vertegenwoordigen. De media-elite is een sleutelelement van de Amerikaanse HCPE. Ze is de waakhond van ideologisch acceptabele boodschappen, vormt het controlesysteem van het nieuws en de informatie en neemt de financiŽle beslissingen van de mediabedrijven. De media-elite is onderhevig aan dezelfde druk als de hogere beleidsmakers in de Amerikaanse politiek en daardoor even ontvankelijk voor reactionaire antwoorden op ons meest recente Pearl Harbor.

Een belangrijk voorbeeld van de invloed van het Pentagon op de media is het terugtrekken door CNN van het bericht over het gebruik van Sarin (een zenuwgas), door het Amerikaanse leger in Laos tijdens de Vietnamoorlog. Twee programmamakers van CNN, April Oliver en Jack Smith meldden na een onderzoek van acht maanden op 7 juni op CNN en later in Time Magazine dat tijdens Operation Tailwind in Laos Sarin was gebruikt en dat Amerikaanse overlopers hiermee werden bestookt. Het verhaal was gebaseerd op ooggetuigenverslagen en kwam tot stand met medewerking van hoge militairen. Onder enorme druk van het Pentagon, Henry Kissinger, Colin Powell en Richard Helms herriepen CNN en Time het verhaal met de mededeling: "De beschuldigingen van het gebruik van zenuwgas en het doden van overlopers worden niet door bewijs ondersteund." Later in die zomer werden Oliver en Smith door CNN ontslagen. Ze zijn altijd achter hun verhaal blijven staan en zeiden dat het waarheidsgetrouw en bewezen was. Onder druk van het Pentagon stelden CNN en Time hun positie bij, nadat ze eerst volledig achter het verslag stonden. April Oliver vermoedt dat CNN en Time bezweken zijn onder de dreigementen van het Pentagon, omdat zij anders in de toekomst zouden worden buitengesloten van de militaire berichtgeving.(46)

Public Relations bedrijven en de GDG

Het gebruik van pr-bedrijven als middel om de steun van het publiek voor de wereldwijde dominantie te winnen is populair en aantoonbaar effectief gebleken. De afgelopen jaren hebben pr-firma's dankzij Amerikaanse en buitenlandse contracten hun winst zien toenemen. Directe propagandacampagnes zijn weliswaar verboden in de Verenigde Staten, maar de regering en de pr-firma's beÔnvloeden de Amerikaanse publieke opinie op een creatieve manier door het verspreiden van berichten in buitenlandse kranten die onmiddellijk door Amerikanen worden gelezen.(47) De regering vertrouwt op deze bedrijven die een specifieke, ideologische reactie van de massa's oproepen en de pr-bedrijven richten zich vooral op hun winsten. De concentratie van macht en kapitaal is niet voorbehouden aan de wapenleveranciers of de regering. Ze komt ook duidelijk naar voren door de grip die de pr-firma's en bedrijven voor crisismanagement hebben op de publieke opinie.

Beelden die de steun voor een permanente oorlog tegen het terrorisme hebben veroorzaakt zijn onder meer het neerhalen van het standbeeld van Saddam, de heldhaftige redding van soldaat Jessica Lynch en de spectaculaire verhalen over massavernietigingswapens.(48) Tijdens de Eerste Golfoorlog was de wereld getuige van de verklaring voor het Congres over baby's die uit couveuses waren weggehaald en werden achtergelaten op de koude ziekenhuisvloer en de hartverscheurende noodkreet van de Koeweiti's om hen te bevrijden van een nietsontziende Iraakse dictator.(49) In werkelijkheid gebruikte de CIA geld van de belastingbetaler voor dit beeldmateriaal dat werd gefabriceerd en verspreid door Rendom Group, Hill & Knowlton en andere bureaus voor public relations en crisismanagement.

De bedrijven die verantwoordelijk zijn voor het vormgeven en het verspreiden van de informatie zijn onderling nauw met elkaar verbonden. De meeste pr-firma's in de Verenigde Staten en Europa vallen onder de paraplu van drie enorme bedrijven. Directieleden van deze grote drie, WPP, Omnicom Group en Interpublic zitten ook in de directie van de grote mediaconglomeraten, wapenleveranciers en regeringscommissies, waardoor ze in nauw contact staan met de beleidsbepalers van het Congres en de regering.(50)

Een van de bedrijven die werden ingehuurd om de pr voor Amerika's preventieve oorlogen te verzorgen is het reclamebureau Rendom Group. In de tachtiger jaren hielp Rendom mee aan het bijstellen van de Amerikaanse gevoelens met betrekking tot het afzetten van de Panamese president Manuel Noriega.(51) Het bedrijf riep de internationale steun voor de Eerste Golfoorlog in het leven en in de negentiger jaren was het verantwoordelijk voor het vormen van en de propaganda voor het Iraaks Nationaal Congres en het selecteren van Ahmed Chalabi.(52)

Rendom en vergelijkbare bedrijven laten zich leiden door het geld en ze beÔnvloeden de publieke opinie in de richting die hun klanten wensen. Het winstbejag van de pr-industrie en de samenklontering ervan staan een openlijke discussie in de weg en zorgen ervoor dat degenen met het meeste geld het nieuws en de informatie in de VS en in toenemende mate de hele wereld kunnen domineren.

Het gemak waarmee de Amerikaanse bevolking de invasie in Irak accepteerde was het gevolg van de gezamenlijke inspanningen van de regering, wapenleveranciers, pr-firma's en de grote media. Deze instellingen zijn de veroorzakers en de belangrijkste profiteurs van een permanente oorlog tegen het terrorisme. Het belang van deze onderlinge verbanden wordt veroorzaakt door het feit dat machtige delen van de GDG over het geld en de middelen beschikken om hun propaganda keer op keer over de Amerikaanse bevolking uit te strooien, totdat deze boodschappen vanzelfsprekendheden en algemene waarheden worden.

Verkiezingsonregelmatigheden

In het najaar van 2001 verscheen er na een onderzoek dat acht maanden had geduurd een verslag van het National Opinion Research Center naar 175.000 stemmen uit Florida die tijdens de presidentsverkiezingen van 2000 nooit waren geteld. Het onderzoek bevestigde dat Al Gore in Florida had gewonnen en president had moeten worden. De verslaggeving rond dit rapport viel echter in het niet omdat het nieuws in de media na 11 september werd gedomineerd door een veel grotere gebeurtenis.(53)

De verkiezingen van 2004 waren nog veel frauduleuzer. Uit de officiŽle stemmentelling bleek dat George W. Bush met drie miljoen stemmen had gewonnen. Uit exit polls bleek echter een winst voor John Kerry te zien, met een marge van vijf miljoen stemmen. Het verschil van acht miljoen stemmen is veel groter dan elke mogelijke foutenmarge. De foutenmarge zou statistisch kleiner moeten zijn dan ťťn procent. Het officiŽle resultaat week echter met meer dan vijf procent van de exit polls af, hetgeen statistisch onmogelijk was.(54)

De twee bedrijven die waren ingehuurd om de opiniepeiling uit te voeren voor de Nation Election Pool (een consortium van de vijf grootste omroeporganisaties en Associated Press) waren Edison Media Research en Mitofsky International. Deze organisaties weigerden de resultaten van hun exit poll vrij te geven voor Bush' inauguratie.

Election Systems & Software (ES&S), Diebold en Sequoia waren de bedrijven die op de eerste plaats waren betrokken bij de invoering van nieuwe elektronische stemmachines over het hele land. Al deze firma's onderhouden nauwe banden met de regering Bush. De grootste investeerders in ES&S, Sequoia en Diebold zijn wapenleveranciers van de regering als Northrup-Grumman, Lockheed-Martin, Electronic Data Systems (EDS) en Accenture. Diebold huurde Scientific Applications International Corporation (SAIC) uit San Diego in om de beveiligingssoftware voor hun stemmachines te ontwikkelen. Veel leidinggevenden van SAIC (die voorkomen op onze lijst van de GDG) zijn voormalige medewerkers van het Pentagon of de CIA. Onder hen: Generaal Wayne Downing, voorheen werkzaam bij de National Security Council, Bobby Ray Inman, voormalig CIA-directeur, de voormalige admiraal William Owens (vroeger vice-voorzitter van de gezamenlijke chefs van staven) en Robert Gates, nog een voormalig CIA-directeur.(55)

Black Box Voting heeft herhaaldelijk gemeld dat de stemmachines die door meer dan 30 miljoen kiezers werden gebruikt gemakkelijk gehackt konden worden door relatief eenvoudige programma's zonder dat controle van de computers achteraf bewijzen zou kunnen opleveren dat ermee was geknoeid. De onregelmatigheden tijdens het tellen van de stemmen wijst erop dat er in 2004 iets aan de hand was dat het toeval oversteeg.(56)

SamenzweringstheorieŽn doen het altijd goed in de VS en kunnen in direct verband worden gebracht met het gebrek aan onderzoeksjournalistiek door de media. De grote media richten zich vooral op het shownieuws. Vandaar dat het grote publiek beter op de hoogte is van de moordzaak omtrent Scott Peterson die in 2004 in CaliforniŽ zijn vrouw vermoordde dan over de mogelijkheid van nationale stembusfraude.

De GDG en 11 september

Een aanzienlijk deel van de GDG kon vooraf weten dat de aanslagen van 11 september op komst waren. Veel landen waarschuwden de VS voor de dreiging van terroristische aanslagen: Afghanistan, ArgentiniŽ, Groot-BrittanniŽ, de Kaaimaneilanden, Egypte, Frankrijk, Duitsland, IsraŽl, ItaliŽ, JordaniŽ, Marokko en Rusland. Ook binnen de Verenigde Staten kwamen er waarschuwingenals gevolg van onderschepte communicatie met betrekking tot de specifieke plannen van Al Qaeda. Enkele waarschuwingen vooraf voor 11 september:

Voorkennis van 11 september stelde de GDG in staat om snel te handelen met als doel de versnelling van haar agenda voor de wereldwijde dominantie. Al lang vůůr 11 september wensten velen binnen de GDG een invasie van Afghanistan. De regeringscommissie met betrekking tot AziŽ en de Pacific van het International Relations Committee van het Huis van Afgevaardigden kwam in februari 1998 bijeen om het verwijderen van de Afghaanse regering te bespreken. In juni 2001 zei de Amerikaanse regering tegen India dat de invasie van Afghanistan was gepland voor juni 2001 en 'Janes Defense News' berichtte in maart 2001 dat de VS het voornemen hadden om Afghanistan later dat jaar binnen te vallen. De BBC meldde dat de VS al vůůr 11 september 2001 de Pakistaanse minister van Buitenlandse Zaken op de hoogte hadden gebracht van een in oktober geplande invasie van Afghanistan.(58)

Aan het begin van 2006 heeft de agenda van de Werelddominantiegroep duidelijk ingang gevonden binnen de kring van de hogere beleidsmakers en wordt op listige wijze uitgevoerd door de Amerikaanse regering. Ze werken nauw samen met wapenleveranciers en stimuleren de wereldwijde inzet van Amerikaanse troepen, nu al op 700 legerbases.

Er is een belangrijk verschil tussen zelfverdediging tegen een externe dreiging en het geloof in de totale militaire controle over de wereld. Velen in de Verenigde Staten hebben morele en praktische twijfels omtrent de acceptatie en financiering van deze werelddominantie en men vreest ook de gevaren voor de persoonlijke vrijheden die een permanente oorlog met zich meebrengen.

Ken Cunningham van de Penn State University schrijft: "de huidige uitgaven aan de oorlog tegen het terrorisme overstijgen de gemiddelde kosten van de Koude Oorlog met 18 procent (...) 11 september en de oorlog tegen het terrorisme hebben gezorgd voor de vestiging van een agressief, preventief denkend en militaristisch blok binnen de regering en de 'National Security State'. Het huidige militarisme met zijn schimmige en potentieel eindeloze, permanente oorlogen toont de ernst van de situatie aan."(59)

Verzet tegen de GDG binnen de Higher Circle Policy Elites (HCPE)

Er blijft een belangrijke kwestie over. Kunnen we aanwijzingen van verzet zien van de kant van gematigden of progressieven tegen de agenda van de GDG? De aanklachten die zijn ingediend tegen sleutelfiguren binnen de neoconservatieve regering van Bush is een hoopvol teken. Daarentegen zijn er echter maar weinig bewijzen dat de hogere politieke elite er veel belang bij heeft om vraagtekens te zetten bij de waarschuwingen vůůr 11 september of bij de verkiezingsfraude.

Greg Palast maakte melding van een meningsverschil tussen de neoconservatieven in het Pentagon en het ministerie van Buitenlandse Zaken enerzijds en de oliemaatschappijen anderzijds over de privatisering van de olievelden in Irak. De neoconservatieven uit de GDG drongen erop aan dat de Amerikaanse oliemaatschappijen Irak's olievelden geheel en al zouden aankopen. De oliemaatschappijen maakten hier bezwaar tegen en gaven er de voorkeur aan alleen de olie te kopen van een stabiele, pro-Amerikaanse Iraakse regering.(60)

Een andere aanwijzing voor verzet was een paginagrote advertentie in de 'New York Times' van 10 november 2005 die geplaatst werd door een nieuwe beleidsadviesgroep, de 'Partnership for a Secure America'. In de advertentie werd het Amerikaanse martelbeleid openlijk aangevallen en de verklaring was ondertekend door talrijke HCPE onder wie Lee Hamilton, Warren Christopher, Gary Hart en Richard Holbrooke.

Een ander teken van verzet is het feit dat van oudsher invloedrijke lobbygroeperingen zoals de Amerikaanse Kamer van Koophandel, de National Association of Manufacturers en de National Association of Realtors zich zorgen gingen maken over de vertrouwelijkheid van dossiers die dankzij de Patriot Act "te gemakkelijk konden worden doorgelicht".(61)

Deze reacties uit de hogere politieke kringen tegen de GDG zijn hoopvol, maar nauwelijks betekenisvol, gezien de omvang van de agenda voor de werelddominantie. Velen binnen de HCPE zijn nog steeds bang voor terroristische aanslagen, en deze angst wordt voortdurend gevoed door de grote media.

Velen binnen de HCPE zijn van mening dat de huidige koers in Irak moet worden aangehouden omdat ze bang zijn voor nog grotere onrust in de regio als wij ons zouden terugtrekken. Zonder een brede maatschappelijke beweging en verzet vanuit de bevolking, die de sociaal-economische agenda van de HCPE en het aan de hand daarvan streven naar bedrijfswinsten kunnen destabiliseren, kent de GDG geen of vrijwel geen uitdaging. Als de verkiezingen van 2006 zouden zorgen voor een Democratische meerderheid in de Senaat dan is het waarschijnlijk dat de GDG-agenda hoogstens een beetje zou worden afgeremd. Van een ommekeer zou zeker geen sprake zijn.

De gebeurtenissen van de laatste tientallen jaren en zeker van de eerste vijf jaar van deze eeuw doen veronderstellen dat iets wat velen 'fascisme' zouden noemen voet aan de grond heeft gekregen in de VS en er zijn maar weinig aanwijzingen dat een ommekeer op handen is.

Vice-president Wallace schreef in de 'New York Times' van 9 april 1944: "De waarlijk gevaarlijke Amerikaanse fascist (...) is die persoon die binnen de Verenigde Staten op een Amerikaanse wijze wil teweegbrengen wat Hitler in Duitsland op Pruisische wijze deed. De Amerikaanse fascist zou er de voorkeur aan geven geen geweld te gebruiken. Zijn methode bestaat eruit de kanalen van de publieke informatie te vergiftigen. Voor een fascist is de vraag hoe hij de waarheid het beste aan het publiek kan tonen niet aan de orde, maar wel de vraag hoe hij het nieuws kan gebruiken om het publiek te bedriegen, zodat het de fascist en zijn groepering meer geld en macht bezorgt.'

Wallace voegde eraan toe:

"Ze beweren superpatriotten te zijn, maar ze zouden elke vrijheid die de grondwet garandeert vernietigen. Ze eisen vrij ondernemerschap, maar ze zijn de woordvoerders van de monopolisten en de gevestigde belangen. Het uiteindelijke doel dat ze met al dit bedrog willen bereiken is het verwerven van de politieke macht, zodat ze door het gebruik van deze macht van de staat en tegelijkertijd die van de markt de gewone man eeuwig kunnen onderwerpen."(62)

We staan op het randje van het totalitaire fascistische corporatisme. Het verzet tegen de neoconservatieven en de GDG-agenda is alleen nog maar een begin om een eind te maken aan de langdurige neoconservatieve reacties op de verworvenheden van de zestiger jaren. Het opnieuw bestrijden van de armoede, de Mensenrechtenverklaring van de VN en onze eigen massavernietigingswapens, moeten de agenda vullen van de progressieve intellectuelen en de democratisch gezinde bevolking.

Peter Philips is hoogleraar Sociologie aan de Sanoma State University en directeur van Project Censored, een organisatie die onderzoek doet naar de media. Bridget Thornton en Celeste Vogler zijn onderzoeksassistenten aan de Sanoma State University met specialisaties in respectievelijk geschiedenis en politieke wetenschappen.

NOTEN

  1. Tekst G. William Domhoff, Who Rules America? (New York: McGraw Hill, 2006 [5th ed.] en Peter Phillips, A Relative Advantage: Sociology of the San Francisco Bohemian Club, 1994, (http://libweb.sonoma.edu/).
  2. Tekst Vroege studies van Charles Beard in 'The Economic Interpretations of the Constitution of the United States' (1929) laten zien dat de economische elites de Amerikaanse grondwet zo formuleerden dat deze hun belangen behartigde. In zijn boek 'Dynamic America' (1933) stelt Henry Klien dat de rijken in de VS een macht bezitten die ongeŽvenaard is in de wereld en dat deze gecentreerd is in de bovenste 2% van de bevolking die 60% van het land in handen heeft. In 1937 beschreef Ferdinand Lundberg in 'America's sixty families' het onder elkaar trouwen binnen rijke families die elkaar zo in stand houden en van wie de welvaart onmisbaar is voor de regering. In 1945 stelde C. Wright Mills vast dat negen van de tien vertegenwoordigers van de zakenelite tussen 1750 en 1870 afkomstig was uit rijke gezinnen (American Business Elites, Journal of Economic History, Dec. 1945).
  3. Tekst Zie R. Brady, Business as a System of Power, (New York: Columbia University Press, 1943) en Val Burris, Elite Policy Planning Networks in the United States, American Sociological Association paper 1991.
  4. Tekst C. Wright Mills, The Power Elite, (New York: Oxford University Press, 1956).
  5. Tekst Michael Soref, Social Class and Division of Labor within the Corporate Elite, Sociological Quarterly 17 1976 en Michael Useem, The Social Organization of the American Business Elite and Participation of Corporation Directors in the Governance of American Institutions, American Sociological Review, Vol. 44, (1979). Michael Useem, The Inner Circle (New York: Oxford University Press, 1984).
  6. Tekst T. Koenig and R. Gobel, Interlocking Corporate Directorships as a Social network, American Journal of Economics and Sociology, Vol. #40, 1981, Peter Phillips, The 1934-35 Red Threat and The Passage of the National Labor Relations Act, Critical Sociology, Vol. 20 Number 2 (1994).
  7. Tekst Public Papers of the Presidents, Military-Industrial Complex Speech, Dwight D. Eisenhower, 1961, p. 1035-1040
  8. Tekst Voor inzicht in de anti-militaire sentimenten in de dertiger jaren zie: Smedley D. Butler, Major General U.S. Marines, War is a Racket, (New York: Round Table Press, 1935) en The Washington Arms Inquiry, Current History, November (1934).
  9. Tekst Economic Concentration and World War II, A report of the Smaller War Plants Corporation to the Special Committee to Study Problems of American Small Business, US Senate, US Government Printing Office, Washington DC, 1946.
  10. Tekst US Office of Management and Budget, Budget of the United States Government, historical Tables, Fiscal Year 1995 (Washington Printing office,1994), p. 36-43, 82-87.
  11. Tekst Michael Putzel, "Battle Joined in Peace Dividend," The Boston Globe, Jan.12, 1992, p. 1.
  12. Tekst Eric Pianin, "Peace Dividend Efforts Dealt Blow," Washington Post, March 27, 1992, p. A4.
  13. Tekst Sam Meddis, "Peace Dividend is no Guarantee, Aspin Says," USA Today, December 6, 1994.
  14. Tekst Margaret Tauxe, "About that Peace Dividend: The Berlin Wall Fell, But a Wall of Denial Stands," Pittsburgh Post Gazette, November 12, 1999, p. A-27.
  15. Tekst Guy Caron, "Anatomy of a Neo-Conservative White House," Canadian Dimension, May 1, 2005.
  16. Tekst Alain Frachon en Daniel Vernet, "The Strategist and the Philosopher: Leo Strauss en Albert Wolhlestetter," Le Monde, April 16, 2003, Engelse vertaling: Counterpunch 6/2/03.
  17. Tekst Anne Hessing Cahn, Team B; The Trillion-dollar Experiment, Bulletin of the Atomic Scientists, April 1993, Volume 49, No. 03
  18. Tekst John Pilger, "The World Will Know The Truth," New Statesman (London) (December 16 2002).
  19. Tekst Peter Phillips, The Neoconservative Plan for Global Dominance, in Censored 2006, (New York: Seven Stories Press), (http://www.projectcensored.org). Uittreksels uit het ontwerp van de 'Defense Planning Guidance' kunnen gelezen worden op (http://www.pbs.org/wgbh/pages/frontline/shows/iraq/etc/wolf.html).
  20. Tekst Patrick E. Tyler, "Senior U.S. Officials Assail Lone-Superpower Policy," New York Times, March 11, 1992P. A6.
  21. Tekst Ibid
  22. Tekst Anna Rich & Tamar Gabelnick, "Arms Company of the Future: BoeingBAELockheedEADS, Inc," Arms Sales Monitor, January 2000.
  23. Tekst Guy Caron, "Anatomy of a Neo-Conservative White House," Canadian Dimension, May 1, 2005.
  24. Tekst Martha Honey, "Guns 'R' Us," In These Times, August 1997.
  25. Tekst Zie Carl Grossman, "US Violates World Law to Militarize Space," Earth Island Journal, Winter 1999, en Bruce Gagnon, "Pyramids to the Heavens," Towards Freedom, September 1999. Het originele document, 'Vision for 2020' kan gelezen worden op: (http://www.fas.org/spp/military/docops/usspac/lrp/ch02.htm).
  26. Tekst Peter Phillips, A Relative Advantage: Sociology of the San Francisco Bohemian Club, 1994, (http://libweb.sonoma.edu/regional/faculty/phillips/bohemianindex.html), p. 104, Aantekening: Toen ik de lezing zelf hoorde werd vooraf met de gastheer overeengekomen dat de naam van de sprekers en de andere deelnemers vertrouwelijk zouden worden gehouden.
  27. Tekst Project for a New American Century, Statement of Principles, June 3, 1997 (http://www.newamericancentury.org).
  28. Tekst Betrekkingen die binnen de regering van George W. Bush worden bekleed door mede-oprichters van PNAC: Elliot Abrams, National Security Council, Dick Cheney, Vice-President, Paula Dobriansky, Dept. of State, Under Sec. of Global Affairs, Aaron Friedberg, Vice President's Deputy National Security Advisor, Francis Fukuyama, Presidents Council on Bioethics, Zalmay Khalilzad, US Ambassador to Afghanistan, Lewis Libby, Chief of Staff for the Vice President, Peter Rodman, DOD, Assist. Sec. Of Defense for International Security, Henry S. Rowen, Defense Policy Board, Comm. On Intelligence Capabilities of US regarding WMDs, Donald Rumsfled, Secretary of Defense, Vin Weber, National Commission Public Service, Paul Wolfowitz, Dep. Sec. Of Defense, Pres. World Bank.
  29. Tekst Ted Nace, Gangs of America, (San Francisco: Berrett-Koehler Publishers Inc., 2003) P. 186.
  30. Tekst Voor een volledig overzicht van de Global Dominance Group-leden die demilitaire expansie beijveren en de belangrijkste defensiecontracten binnenhalen zie bijlage A.
  31. Tekst The Project for a New American Century, Rebuilding America's Defenses, Project for a New American Century: Strategy, Forces and Resources for a New Century, September 2000(http://www.newamericancentury.org).
  32. Tekst David Epstein, Office of Sec. Of Defense, Steve Cambone, NSA, Dov Zakheim, CFO Dept. of Defense, Mark Lagan, Dep. Assist. Sec. Of State.
  33. Tekst The Project for a New American Century, Rebuilding America's Defenses: Strategy, Forces and Resources for a New Century, (http://www.newamericancentury.org).
  34. Tekst William Rivers Pitt, The Root of the Bush National Security Agenda: Global Domination
  35. Tekst . Zie bijlage A voor een lijst van de top-20 wapenleveranciers vanaf 2004.
  36. Tekst . Tim Weiner, "Lockheed and the Future of Warfare," 'New York Times', 28 november 2004, Sunday Bussiness, p. 1
  37. Tekst . Jerry Knight, "Lockheed Rules Roost on Electronic Surveillance," 'The Washington Post', 29 augustus 2005, p. D-1.
  38. Tekst . Zie: The Center for Public Integrity, "Pentagon Contractors: Top Contractors by Dollar," (http://www.publicintegrity.org)
  39. Tekst . Ibid.
  40. Tekst . Raw Story, "Cheney's Halliburton stock options rose 3,281%# last year, senator finds," 11 oktober 2005 (http://www.rawstory.com).
  41. Tekst . M. Asif Ismail, "Investing in War: The Carlyle Group profits from government and conflict," 18 november 2004 (http://www.publicintegrity.org).
  42. Tekst . M. Asif Ismail, The Sincerest Form of Flattery: Private Equity Firms Follow in Carlyle's Footsteps, 18 november 2004 (http://www.publicintegrity.org).
  43. Tekst . Matrin Walker, "Walker's World: Neo-con Wants More Troops", UPI, 31 mei 2005.
  44. Tekst . Greg Guma, Privatizing War, 8 juli 2004, United Press International, Pentagon Increases Private Military Contracts, Josh Sisco, in 'Censored 2004', Peter Phillips, (New York: Seven Stories Press, 2003) p.98.
  45. Tekst . Peter Phillips, 'Censored 2006', (New York: Seven Stories Press, 2005) p. 248.
  46. Tekst . Peter Phillips, "The Censored Side of CNN Firings over Tailwing, April Oliver," In 'Censored 1999', (New York: Seven Stories Press, 1999) p. 158.
  47. Tekst . Treasury, Postal Service, Executive Office of the President, and General Government Appropriations Act of 2000, Pub. L. No. 106-58 ļ 632, 113 Stat. 430, 473 (1999) ("General Government Appropriations Act van 2000"), die het gebruik van toegekende fondsen voor "reclame of propagandadoeleinden verbiedt."
  48. Tekst . Jack Shafer, "The Times Scoops That Melted, Cataloging the wretched reporting of Judith Miller," Slate Magazine, 25 juli 2003.
  49. Tekst . Ian Urbina, "A Grad Student Mimicked Saddam Over the Airwaves Broadcast Ruse," 'Village Voice', 13 - 19 november 2002.
  50. Tekst . Bill Berkowitz, "Tapping Karen Hughes," 'Working for Change', 18 april 2005.
  51. Tekst . James Bamford, "The Man Who Sold the War Meet John Rendon, Bush's general in the propaganda war," 'Rolling Stone', december 2005.
  52. Tekst . "India/Iraq: Worldspace Bids for Contract to Rebuild Iraqi Media Network," Global News Wire - Asia Africa Intelligence Wire BBC Monitoring International Reports, 17 december 2003.
  53. Tekst . The National Opinion Research Center (NORC), University of Chicago, "The Florida Ballot Project: Frequently Asked Questions" (http://www.norc.uchicago.edu).
  54. Tekst . Peter Phillips, "Another Year of Distorted Election Coverage, and Dennis Loo's hoofdstuk in hetzelfde boek "No Paper Trail Left Behind," In'Censored 2006', (New York: Seven Stories Press, 2005) p. 48 & p. 185.
  55. Tekst . Peter Phillips, "The Sale of Electoral Politics," 'Censored 2005', (New York: Seven Stories Press, 2004) p.57.
  56. Tekst . http://www.blackboxvoting.org. Voor een recenter verslag over het hacken van stemmachines zie: 12-13-05: Devastating hack proven, http://www.bbvforums.org/cgi-bin/forums/board-auth.cgi?file=/1954/15595.html
  57. Tekst . Zie: Jessica Froiland's, 9/11 Pre-warnings in 'Censored 2006', Peter Phillips, (New York: Seven Stories Press, 2005) p. 205.
  58. Tekst . Indiareacts.com, India in Anti-Taliban Military Plan, 26/6/2001, BBC News, 18/09/2001, door George Arney. 'Janes Defense News', 15/03/2001, India Joins Anti-Taliban Coalition, door Rahul Bedi.
  59. Tekst . Ken Cunningham, Permanent War? The Domestic Hegemony of the New American Militarism, 'New Political Science', volume 26, nummer 2, december 2004.
  60. Tekst . Greg Palast, "OPEC and the Economic Conquest of Iraq," 'Harpers', October, 2005.
  61. Tekst . "Business groups want to limit Patriot Act," San Francisco Indy Media, 17 oktober 2005 (http://www.sf.indymedia.org).
  62. Tekst . Geciteerd uit Davidson Loehr, 'Living Under Facism', Unitarian Universalist Church, 7 november 2004 (http://www.uua.org/news/2004/voting/sermon_loehr.html).

Lijst van bronnen (236x) is apart op te vragen: manifest@ziggo.nl of het partijkantoor van de NCPN.

Vertaling Frans Willems.