Hoe het Westen de Arabische Wereld onder controle houdt

Het sprekende voorbeeld van het Huis Saoed

dr. Abdullah Mohammed Sindi

1. Inleiding

De illegale brute invasie en bezetting van Irak door de VS vond plaats met volledige medewerking van Saoedi-ArabiŽ. Net als bij de verwoestende oorlog tegen Irak in 1991, leverde Saoedi-ArabiŽ financiŽle, logistieke en materiele steun, inclusief gratis olie-leveranties, aan de VS.

Dit is niet nieuw, daar het in Saoedi-ArabiŽ regerende Huis Saoed altijd zijn uiterste best gedaan heeft, vanaf het ontstaan ervan, om het imperialistische Westen te helpen de Arabische landen en moslimwereld te domineren en te controleren.

Om te begrijpen waarom het dictatoriale Huis Saoed zo'n onderdanige rol ten opzichte van het Westen speelt, moeten we onderzoek doen naar de oorsprong en hoe het aan de macht gekomen is.

Is het Huis Saoed ooit door verkiezingen aan de macht gekomen?

Laten we de geschiedkundige feiten bekijken.

De westerse koloniale machten dreven de Arabieren uit elkaar en kolonialiseerden ze gedurende de 19e en begin 20e eeuw. Om de westerse overheersing ook na de zgn. onafhankelijkheid te laten voortduren, brachten de Britten op het Arabisch Schiereiland verschillende feodale families aan de macht om als westerse controle-instrumenten te fungeren. De belangrijkste van deze marionetten-families is het Huis Saoed in Saoedi-ArabiŽ. Saoedi-ArabiŽ werd gecreŽerd door Brits geld en wapens, rechtstreeks geleverd aan Abdulaziz ibn Saoed, die geldt als de stichter van Saoedi-ArabiŽ. Het Huis Saoed staat sindsdien algemeen bekend om zijn samenwerking met het imperialistische Westen en dientengevolge om zijn rol als verrader van de Arabische landen en moslimwereld.

Dit in tegenstelling tot de grote Arabische helden uit de jongste geschiedenis, die hun leven weidden aan het bestrijden van het Westerse kolonialisme en imperialisme, zoals de Algerijn Abdul-Kader al Jaza'iri, de Egyptenaar Ahmad Urabi, de Soedanees Mohammad a-Mahdi, de Marokaan Abdul-Kareem al-Khattabi, de SyriŽr Yousif al-Athmah, de Palestijn Izzaddin al-Qassam of de LibiŽr Omar al-Mukhtar.

Ook de leden van het Hasjemitische Huis van koning Hoessein van de Hejaz had met de Britten samengewerkt in de Eerste Wereldoorlog, maar werden duidelijk gebruikt en misleid. Op basis van afspraken werd samengewerkt, maar nooit namen zij een onderdanige houding aan t.o.v. de Britten. De hasjemieten waren de rechtstreekse afstammelingen van de profeet Mohammed en de leiders van de Arabische wereld. Zij hadden hun basis in de heilige steden van de islam, Mekka en Medina, al sinds de 10e eeuw. Zij hadden het legitieme recht alle Arabieren te vertegenwoordigen en als zodanig met de Britten te onderhandelen.

De geschiedenis van de brute Saoed-clan begon in het midden van de 18e eeuw, de leiders van deze nomadenstam sloten een verdrag met een andere stam, de fanatiek-religieuze wahhabi's. Ze bevolkten de woestijn in het midden van het Arabisch Schiereiland, de Najd.

Deze Saoeds en wahhabi's, die bekendstonden om hun wreedheid, pleegden vele politieke en godsdienstige gruweldaden tegen hun mede-Arabieren.

Bijvoorbeeld, in 1801 schokten ze de hele moslimwereld door de grafkelder van martelaar Hoessein Bin Ali (kleinzoon van profeet Mohammed) te schendenbij Kirbala (Irak), een bijzonder heilige plek voor de sji'itische moslims.

In 1810 doodden ze vele onschuldige mensen in de heilige islamitische plaatsen Mekka en Medina en ontheiligden ze de Profeet Mohammed Moskee.

De Turks-Ottomaanse leider, kalief Mahmut II te Istanboel, oficieel heerser over het Arabisch Schiereiland en bewaker van de islamitische heilige plaatsen, had geen andere keus dan de Saoed-Wahhabi-clans streng te bestraffen.

In 1818 werden de Saoed-Wahhabi-strijders verpletterend verslagen en werd hun woestijnhoofdstad met de grond gelijkgemaakt. Hun leider Abdullah Ibn Saoed werd in Istanboel gevangengezet en later terechtgesteld. Het merendeel van de overlevende Saoed-wahhabi's werd naar Egypte gevoerd en daar voor vele jaren gevangen gehouden.

II. De collaboratie van de Saoed-wahhabi's met het Britse imperialisme

In 1843 keerde Faisal Ibn Turki al Saoed uit Egyptische gevangenschap terug naar het woestijndorp Riaad (vlakbij hun vroegere verwoeste hoofdstad).

De Britten hadden in 1820 Bahrein gekoloniseerd en zochten naar mogelijkheden om de rest van de kusten van het Arabisch Schiereiland ook te koloniseren.

De Saoeds beschouwden de Ottomaanse moslims en Egyptische Arabieren voortaan als hun gezworen vijanden en zagen in de Britten potentiŽle vrienden en beschermers. Door de Saoeds werd er dan ook naar gestreefd om met de Britten in contact te komen en er goede betrekkingen mee op te bouwen.

In 1848 bezocht Faisal Ibn Turki al Saoed de Britse resident in de Perzische stad Bushire. In 1851 zocht Faisal alweer de Britse resident op en kreeg het voor elkaar dat de Saoeds in Bahrein konden assisteren bij de jaarlijkse inzameling van het "armengeld". De plaatselijke moslims hebben nooit kunnen kiezen voor de inzameling door de Saoed-clan.

De jaarlijkse inzameling draaide dan ook uit op een vorm van afpersing door de behoeftige Saoed-clan, waarbij tot aan 1930, toen de olie werd ontdekt, weinig geld naar de armen ging en veel in eigen zak verdween.

Na voortdurend aandringen door Faisal waren de Britten bereid in 1865 een militaire delegatie voor een vriendschappelijk bezoek naar Riaad te sturen.

Om zijn Britse gasten te imponeren met de nomaden-besluitvorming en het wahhabi-fanatisme legde Faisal uit dat, in tegenstelling tot politieke oorlogen, in een godsdienststrijd voor hen geen compromis mogelijk was en elke tegenstander gedood werd.

Een jaar na Faisal's dood tekende zijn zoon Abdullah in 1866 een vriendschapsverdrag met de Britten. Dit verdrag verschilde niet van de andere vriendschapsverdragen die de Britten met andere sjeiks aan de Perzische Golf afsloten. Ze garandeerden Britse steun en geld in ruil voor steun aan de Britse belangen en samenwerking met de Britse koloniale autoriteiten op het Arabisch Schiereiland.

Faisal's zonen Abdullah en Saoed bevochten elkaar echter tientallen jaren over de kwestie van de erfopvolging. Ondertussen lieten ook de Ottomaanse regering en haar plaatselijke bondgenoten hun macht gelden in Centraal ArabiŽ. Uiteindelijk slaagde de Rasheed-clan uit de regio van Hail er in 1891 in de Saoedi-wahhabi-legers te verslaan en Riaad te veroveren.

Faisal's jongste zoon Abdulrachman vluchtte samen met zijn zoon Abdulaziz Ibn Saoed naar Koeweit. Ze beschouwden de Britten aldaar als een bevriende macht en vroegen hun hulp om de Saoeds weer terug te laten keren in Riaad. De Britten zagen in deze situatie een mooie kans om hun invloed en macht op het Arabisch Schiereiland uit te breiden en het Ottomaanse Rijk te verzwakken.

Zowel in 1900 als in 1901 werden pogingen ondernomen om met hulp van deBritten en Koeweiti's Riaad te heroveren, maar de aanvallen werden steeds afgeslagen door de door de Turken gesteunde Rasheed-clan. Zoon Abdulaziz Ibn Saoed had inmiddels het leiderschap op zich genomen. Hij had bij de Ottomaanse regering het rentmeesterschap over de streek Najd aangevraagd maar werd afgewezen. Bij de Britse regering vroeg hij daarna de status van beschermeling aan.

In 1902 slaagde Abdulaziz Ibn Saoed (verder Ibn Saoed genoemd) erin om Riaad te heroveren. Of de Britten hierbij directe of indirecte steun verleend hebben is in de historische analen vaag gebleven, maar Ibn Saoed beschikte wel over verdacht veel wapens en oorlogsmaterieel, ver boven zijn mogelijkheden, waardoor hij de stad kon veroveren. Hierbij werden de inwoners op barbaarse wijze geterroriseerd en 1200 mensen door de fanatieke wahhabi-volgelingen levend verbrand.

De Rasheed-leider Abdulaziz Ibn Rasheed schreef de Turkse regering, dat hij de toenemende invloed van de Britten in Centraal-ArabiŽ toeschreef aan het samenwerkingsverband van de Saoeds met de sjeik van Koeweit.

Enkele maanden na de verovering van Riaad bepleitte Ibn Saoed opnieuw bij de Britse resident van de Perzische Golf om de banden tussen zijn regering in Riaad en de Britse regering aan te halen.

Ibn Saoed was ondertussen niet alleen emir (prins) van Riaad geworden, maar werd tegelijkertijd ook nog de imam van de wahhabi's.

In 1903 verzocht Ibn Saoed opnieuw de Britten om wapens en steun. Hij zond een gezant naar kapitein Prideaux in Bahrein en maakte hem duidelijk, dat hij het liefst de Turkse moslims uit de oostelijke provincie Hasa zou verdrijven.

Tussen 1906 en 1910 werden er door Ibn Saoed nog verscheidene verzoeken om Britse hulp gedaan en pogingen om de diplomatieke betrekkingen nog verder uit te bouwen. Dit resulteerde in een ontmoeting met kapitein Shakespeare, die in de verdere toenadering tot elkaar nog een grote rol zou spelen.

In 1913 werd het grondgebied van de Saoeds verdubbeld door de moslim-Turken definitief uit de provincie Hasa te verdrijven. Dit feit mag een groot Brits succes genoemd worden, aangezien ze enkel door wapenleveranties en grote geldsommen aan het Huis Saoed van hun Turkse vijanden in een groot deel van het Arabisch Schiereiland verlost raakten, zonder dat het Britse leger in actie geweest was. In 1915 kwam er uiteindelijk een officieel bondgenootschap met Groot-BritanniŽ, dat sinds 1914 officieel met Turkije in oorlog was. Ibn Saoed werd als legitiem heerser van Najd erkend onder bescherming van de Britten. De Britten drongen eropaan dat de Saoeds de Turkse bondgenoten, de Rasheeds, zouden aanvallen. Dat gebeurde dan ook bij de slag van Jarrab, waar de Britse kapitein Shakespeare bij was. Hier behaalden de Rasheeds een belangrijke overwinning op het Saoed-wahabbi-leger en kapitein Shakespeare werd hierbij gedood. Ibn Saoed werd hierna door de Turken als verrader en collaborateur met de ergste vijand van Arabieren en moslims beschouwd. Het verlies van Shakespeare was een slag voor Ibn Saoed. Shakespeare was de hoogste Britse vertegenwoordiger die hij ooit ontmoet had en was bovendien een persoonlijke vriend geworden.

Hierna zocht Ibn Saoed aansluiting bij de Brits-gezinde Arabische koninkrijken aan de Perzische Golf, die Britse protectoraten waren.

Nog in 1915 werden er op verzoek van Ibn Saoed door de Britten wederom geld en wapens geleverd. Tevens werd in dat jaar het Brits-Saoedisch Vriendschapsverdrag gesloten, dat in feite alle door de Saoedi's, met Britse steun, veroverde gebieden in Centraal- en Oost-ArabiŽ tot Brits protectoraat maakte.

In 1916 zetten de Britten Ibn Saoed opnieuw aan om de Rasheeds aan te vallen. Ze leverden 1000 Mauser-geweren, 200.000 patronen en 20.000 Britse ponden aan Ibn Saoed.

De Britten riepen echter koning Hoessein van de Hejaz uit tot leider van de Arabische opstand tegen de moslim-Turken. Ibn Saoed was hier helemaalontdaan over en barstte van jaloezie. Om hem wat te sussen werd door de Britten aan Ibn Saoed een hoge Britse ridderorde uitgereikt vanwege zijn grote verdiensten voor het Britse Rijk. Eveneens kreeg hij van toen af jaarlijks 60.000 Britse ponden uit de Britse schatkist als terugbetaling voor zijn goede diensten voor Groot-BritanniŽ, dit bedrag was toen zo'n tweederde deel van Ibn Saoed's jaarlijkse inkomen. De Britse regering stuurde bovendien een grote diplomatieke delegatie naar Riaad om Ibn Saoed te adviseren en te ondersteunen in de uitvoering van z'n pro-Britse beleid. De delegatie-leider was John Philby, die tot aan de dood van Ibn Saoed in 1953 zou aanblijven als belangrijkste adviseur en vertrouwensman. In feite ging John Philby de Saoed-regering leiden en nam ook deel aan militaire acties.

Zich verzekerd wetend van Britse steun, had Ibn Saoed zijn oog laten vallen op het gebied van de Hejaz. Vergeleken met de nomadengebieden in het nog primitieve centrale en oostelijke deel van het Arabisch Schiereiland, was dit een redelijk ontwikkeld en modern gebied met een ontwikkelder bevolking in het westelijke deel en lagen daar bovendien de heilige steden Mekka en Medina en de havenstad Djedda. Begin 19e eeuw had de Saoed-clan dat gebied ook al in handen gehad, wat Ibn Saoed ook als argument aanvoerde om er aanspraak op te maken, en legde dat aan de Britten voor.

De verhouding tussen koning Hoessein en de Britten was ondertussen ernstig bekoeld. Hoessein was beledigd en kwaad over verschillende zaken, nl.

  1. het feit dat de Britten hem gebruikten tegen de moslim-Turken;
  2. de leugen van de Arabische eenheid en onafhankelijkheid na de Eerste Wereldoorlog;
  3. het koloniseren en verdelen van de Arabische wereld samen met de Fransen;
  4. de Verklaring van Balfour, waarin de oprichting van een thuisland voor westerse zionistische joden beloofd werd in de Arabische regio Palestina;
  5. de hulp van de Britten aan de leden van het Huis Saoed, waarbij grote stukken van het Arabisch Schiereiland aan hen toebedeeld werden.

Koning Hoessein bleef erop staan dat de Britten hun beloften nakwamen aan hem. Hij was de leider van de Arabische wereld, zelfs na de koloniale verdeel- en heerstactiek van de Britten tijdens en na de Eerste Wereldoorlog.

De Britten wilden van koning Hoessein af en stimuleerden in 1919 Ibn Saoed tot het aanvallen van het koninkrijk van de Hejaz. Goed van financiŽle middelen en wapens voorzien viel een Saoedi-wahabbi-strijdmacht midden in de nacht de stad Turabah aan, gelegen op 100 km afstand van Mekka. Het leger van de Hejaz werd compleet verrast en 6000 Hejazi's werden op gruwelijke wijze afgeslacht. Dit was waarschijnlijk de ergste slachtpartij ooit op het Arabisch Schiereiland.

Ibn Saoed en z'n Britse adviseurs besloten hierna, vanwege vrees voor de woede van de totale moslimwereld, om verdere aanvallen op de Hejaz op te schorten.

In juli 1919 stuurde Ibn Saoed op uitnodiging van de Britten en koning George V zijn 15-jarige zoon Faisal met een delegatie naar Londen, vergezeld door Philby. Deze Faisal was de latere koning van Saoedi-ArabiŽ.

Toen de Britten begin 1920 als compromis aan koning Hoessein voorstelden om zijn twee zoons koninkrijken te geven in JordaniŽ en Irak, was Ibn Saoed daarover erg jaloers en een groot tegenstander. Zijn territorium zou dan door drie Hasjemitische koninkrijken omgeven worden, Hejaz, JordaniŽ en Irak.

Hij kon bij de Britten opnieuw wapens, geld en adviseurs aftroggelen en slaagde erin zijn gebied te verdrievoudigen in grootte, door in het westen het gebied van Aseer te veroveren en in het oosten het gebied van Hail, waar de Rasheeds de steun moesten ontberen van de in de Eerste Wereldoorlogverslagen Turken.

Na deze gebiedsuitbreiding verruilde Ibn Saoed de titel van Emir van Riaad in die van Sultan van Najd en zijn Provincies. Deze titel werd door de Britten snel erkend.

Om toekomstige problemen met de verslagen Rasheed-clan te vermijden, trouwde de sluwe Ibn Saoed met de weduwe van een van hun leiders. Hieruit werd zoon Abdullah geboren, de huidige kroonprins van Saoedi-ArabiŽ. Dit was de tactiek van de listige Ibn Saoed: hij trouwde steeds met vrouwen uit de door hem overwonnen en soms afgeslachte stammen, uitgezonderd de later overwonnen Hejazi's, met het idee dat hierdoor conflicten, oorlogen of opstanden in de toekomst vermeden zouden kunnen worden.

Behalve zijn ontelbare concubines, had Ibn Saoed zo'n 300 vrouwen. Het aantal zonen wordt op meer dan 125 geschat en niemand weet precies hoeveel het aantal dochters bevat. Het Huis Saoed werd het grootste regerende koningshuis in de geschiedenis. Vanwege het grote aantal meervoudige huwelijken wordt het aantal nu in leven zijnde leden van dat koningshuis geschat op ongeveer 20.000 personen.

In 1921 wees koning Hoessein van de Hejaz de Britse voorstellen betreffende JordaniŽ en Irak van de hand. Niet alleen eiste hij uitvoering van alle Britse beloftes betreffende volledige onafhankelijkheid en eenheid van Arabieren, maar hij verwierp ook de Britse Verklaring van Balfour.

De Britten begonnen zich ernstig zorgen te maken over deze anti-Britse stemming en de opkomende Arabische Beweging, vanwege de nog te regelen kwesties in MesopotamiŽ, SyriŽ en Palestina. Ze begonnen zich steeds openlijker op te stellen tegenover koning Hoessein van de Hejaz. Ze lieten hun marionet Ibn Saoed weten dat ze er niets op tegen zouden hebben als hij het volledige koninkrijk van de Hejaz zou inpikken en voorzagen hem wederom van veel wapens en veel geld. In 1922 werd Ibn Saoed op de Conferentie van Uqair er pijnlijk op gewezen dat hij eigenlijk niets meer was dan een Britse marionet en verder niets te vertellen had.

Op deze conferentie werden de grenzen geregeld van de nieuw te creŽren Arabische Staten.

De Britse Sir Percy Cox trok met de pen de grenzen tussen JordaniŽ, Irak, Koeweit en Saoedi-ArabiŽ, met zelfs twee neutrale zones tussen Saoedi-ArabiŽ en de buurlanden Irak en Koeweit.

Ibn Saoed voelde zich erg gefrustreerd en vernederd, hij verloor veel territorium aan Irak.

Sir Percy Cox benadrukte dat hij dit verlies kon compenseren door de Hejaz te veroveren op koning Hoessein.

III. De wrede verovering van de Hejaz door de Saoedi-wahhabi's

In Turkije zette de verbitterde regering de islamitische kalief (wereldleider der moslims) af in 1924. Hierna stelde koning Hoessein te Mekka zichzelf aan als de nieuwe kalief van alle moslims ter wereld. Als directe afstammeling van profeet Mohammed en als koning van alle Arabieren wilde koning Hoessein niet dat dit eeuwenoude ambt zou verdwijnen.

De Britten zagen hierin een nieuwe bedreiging voor hun controle over de Arabische wereld. Ibn Saoed was erg jaloers op deze vooraanstaande positie van koning Hoessein. Hij bereidde, met goedkeuring van de Britten, concrete plannen voor om de Hejaz te bezetten en de directe afstammelingen van profeet Mohammed te verjagen. Hij bracht met Brits geld en wapens een sterk leger op de been en rukte op naar de steden van de Hejaz, Taif, Mekka, Djedda en Medina, en alle andere belangrijke plaatsen. Onder de bevolking en de geestelijk leiders werd een ware slachtpartij aangericht door de primitieve, wrede en fanatieke wahhabi's. Ook alle moderne en westersaandoende uitingen werden vernietigd, zoals telefoons, radiozenders e.d. In de heilige steden van de islam werden monumenten en graven vernield. De behoorlijk ontwikkelde maatschappijstructuur in de Hejaz werd ontbonden en verboden door Ibn Saoed, zoals de tolerante wetgeving, de rechtbanken, de pers, politieke partijen en het gehele regeringsapparaat. Ibn Saoed trok alle macht naar zich toe.

Ook de slavernij werd door Ibn Saoed aangemoedigd. Persoonlijk hield hij er honderden slaven (1924), en nog grotere aantallen voor zijn familieleden, op na. In Saoedi-ArabiŽ werd pas in 1962, als laatste land ter wereld, de slavernij officieel afgeschaft.

Een eeuw eerder hadden de Saoedi-wahhabi's eveneens een brute overval gepleegd op de Hejaz en de heilige steden. Toen werden ze door een sterke macht van het Ottomaanse Rijk afgestraft.

Anno 1924 was de Arabische wereld kansloos, want ze stond nu onder controle van de westerse koloniale machten en bovendien waren de Saoedi-wahhabi's Britse beschermelingen en vond deze overval uiteraard met Britse goedkeuring plaats.

Tijdens deze wrede overval werd door koning Hoessein een verzoek om hulp gedaan aan de Britten, maar hier werd nooit op geantwoord. De koninklijke familie van Hoessein vluchtte naar JordaniŽ en als gedesillusioneerd en gebroken man stierf Hoessein daar in 1931. De herinnering aan zijn doelstelling van een onafhankelijke Pan-Arabische Staat is echter nog steeds levend tot op de dag van vandaag in zowat de gehele Arabische wereld.

Ook duizenden burgers sloegen op de vlucht naar de naburige staten Egypte, Soedan, JordaniŽ.

De moslimwereld was totaal geschokt en met afschuw vervuld over de barbaarse slachtpartijen door de Saoedi-wahhabi's en over de barbarij in de heilige plaatsen.

Zelfs nu, tot op de dag van vandaag kijken de meer ontwikkelde Hejazi's nog neer op de onbeschaafde en intolerante wahhabi's en voelen zich nog steeds diep beledigd door het Huis Saoed als hun kolonisator.

De Saoeds keken op hun beurt neer op de Hejazi's als een mix van afstammelingen van niet-Arabische pelgrims, die gedurende eeuwen in de heilige steden waren blijven hangen, en blijven tot nu toe dat verschil met hun eigen puur-arabische Najd-ras benadrukken tot op alle niveaus in het huidige Saoedi-ArabiŽ.

Ondanks dat de overweldigende meerderheid van de Hejazi's aanhanger bleef van koning Hoessein, besloten enkele rijke families in Djedda, o.a. de Naseefs, vlug partij te kiezen voor Ibn Saoed om zo betrokken te kunnen worden in de nieuwe regering.

Ibn Saoed, die in 1924 per kameel naar de Hejaz gekomen was, keerde in 1926 per auto naar Riaad terug en riep zichzelf uit van sultan tot koning.

De Britten erkenden hem als koning van het tweevoudig koninkrijk Hejaz en Najd met volledige onafhankelijkheid. Vanwege het feit dat Najd geen ontwikkelde mensen had en primitief en ruw was, werd Ibn Saoed gedwongen zijn hoofdstad in Mekka te vestigen. Na de dood van Ibn Saoed in 1953 werd door zoon Saoed Riaad opnieuw tot hoofdstad gemaakt.

Dit tweevoudige koninkrijk werd op twee na het grootste land van de Arabische wereld en het 13e ter wereld.

In 1927 werd het Verdrag van Djedda gesloten, een ongelijk, eenzijdig verdrag tussen Groot-BritanniŽ en Ibn Saoed, dat hem nog afhankelijker maakte van de Britten dan daarvoor. Het verdrag dwong hem bijvoorbeeld zijn buitenlands beleid geheel door de Britten te laten bepalen.

Over de benaming van zijn rijk was Ibn Saoed niet erg tevreden en besloot in 1932 om het te veranderen in "Koninkrijk Saoedi-ArabiŽ", het ArabiŽ van het Huis Saoed.

Over het algemeen wordt wereldwijd in de pers, voorlichting, en op scholen onderwezen dat Saoedi-ArabiŽ het land van de Saoedi's is, wat de onwetendheid toont betreffende de geschiedenis van het land, of het bewust weglaten van de geschiedkundige feiten en de totale ongevoeligheid t.a.v. de meerderheid van de bevolking die niet-Saoedi is. Het toont ook het begrip voor het feodale en corrupte Saoed-regime.

Ofschoon de Britten Ibn Saoed altijd met geld, wapens en militaire adviseurs geholpen hebben om volken en staten uit te schakelen die geen Britse marionetten wensten te zijn, hebben ze nooit toegestaan dat Ibn Saoed Irak, JordaniŽ, Koeweit, Bahrein, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten, Oman of Jemen zou aanvallen, want de Arabische Wereld moest wel verdeeld blijven.

De verovering van de Hejaz was de grootste maar ook de laatste zege voor Ibn Saoed. Door de jaren heen zijn door de wreedheden van Saoedi-wahhabi's 400.000 Arabieren gedood of verwond, zijn er 40.000 openbare executies uitgevoerd, 350.000 openbare amputaties, op een bevolking van 4 miljoen mensen. Meer dan 1 miljoen Arabieren zijn voor Ibn Saoed het Arabisch Schiereiland ontvlucht en daar nooit meer teruggekeerd.

IV. De inlijving van Saoedi-ArabiŽ binnen het kapitalistische, imperialistische systeem van de Verenigde Staten van Amerika

De Britten hebben de hand gehad in het ontstaan van Saoedi-ArabiŽ met het reactionaire en feodale koningshuis Saoed. De VS hebben de vruchten geplukt van de enorme bodemschatten die het land bleek te bezitten. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog verdrongen de VS geleidelijk de Britten uit de leidende rol in de Arabische Wereld.

Door toepassing van de Westerse strategieŽn van het neokolonialisme kregen de VS geleidelijk de controle over de meest vitale politieke en economische zaken.

Het Huis Saoed werd de belangrijkste Arabische lakei van de VS, zowel in politiek, economisch, als in militair opzicht. Ofschoon de Arabische olie aanvankelijk onder Britse en Franse controle was, stond de zgn. "Rode Lijn Overeenkomst" uit 1928 toe dat de VS daarbij kwam. Toen in 1933 de Brits- Iraakse Petroleum Compagnie een misstap maakte in de onderhandelingen met Ibn Saoed om de olierechten in Saoedi-ArabiŽ, sprong de Amerikaanse maatschappij Standard Oil of California daar onmiddellijk tussen en werd met haar de eerste Saoedische olie-overeenkomst gesloten. Later werden daar olievoorraden gevonden, die een kwart van de wereldreserve bedroegen.

De VS beseften al gauw wat een economische en politieke troef ze nu in handen hadden.

Tijdens de Tweede wereldoorlog lag de olieproduktie in Saoedi-ArabiŽ grotendeels stil. Ook in die periode ontving Ibn Saoed grote sommen geld van zowel de Britten als de VS.

De officiŽle controle van de VS over Saoedi-ArabiŽ werd in 1943 bevestigd door een uitvaardiging van president Roosevelt van een 'Uitvoeringsbevel', dat verklaarde dat de verdediging van Saoedi-ArabiŽ van vitaal belang is voor de verdediging van de VS.

In 1945 maakte president Roosevelt in een persoonlijk gesprek aan Ibn Saoed duidelijk, dat de VS de Britse verantwoordelijkheid voor de verdediging van het Huis Saoed en de Saoedische olie volledig overnamen. Ondanks de Amerikaanse garanties voelde Ibn Saoed zch bedreigd door de Sovjet-Unie en de communistische gelijkheidsideologie.

Na het bombarderen van het praktisch reeds verslagen Japan door de VS en met twee atoombommen, met als enig doel het dreigen naar de Sovjet-Unie en het starten van de Koude Oorlog, zond Ibn Saoed een dringende boodschap naar de VS om ook de Sovjet-Unie met een atoombom te bestoken.

In 1944 werd in Saoedi-ArabiŽ 's werelds grootste olieconsortium opgericht, de Arabian American Oil Company (ARAMCO). Ze werd gevormd door vier grote Amerikaanse oliereuzen: Standard Oil of California, Exxon, Mobil en Texaco. Vanaf de oprichting heeft ARAMCO symbool gestaan voor het Amerikaanse imperialisme in de Arabische wereld. Terwijl de olie uit hun land geroofd werd, werden de Arabische werknemers als tweederangs burgers in hun eigen land behandeld, ze kregen minder salaris en slechtere werk- en leefomstandigheden dan hun westerse collega's. Dit gold in heel Saoedi-ArabiŽ, ook buiten de olie-industrie. Ofschoon de Saoedische regering de overname van ARAMCO in 1980 heeft voltooid, is deze situatie tot op de dag van vandaag niet wezenlijk anders.

Net als de rest van de derdewereldlanden waren de Arabische landen en moslimlanden harde strijd aan het voeren om zichzelf van het Westerse imperialisme te bevrijden. Ibn Saoed echter opende trots zijn land voor de Amerikanen om er een permanente militaire macht te stationeren. In 1946 bouwden de VS een enorme luchtmachtbasis in Dharan, die tegenwoordig nog bestaat en uitgerust is met moderne ondergrondse kernwapenfaciliteiten.

Ibn Saoed was slechts geÔnteresseerd in het welzijn van zijn eigen koningshuis en in de Westerse imperialistische machten. Hij trok zich nooit iets aan van kritiek vanuit Arabische of moslimkringen. Ook in 1948 schoffeerde hij de Arabische landen, door als enig Arabisch land geen troepen naar Palestina te sturen, om tegen de binnendringende Westerse Zionisten te vechten.

Al negen jaar eerder, in 1939, wilde Ibn Saoed tijdens geheime onderhandelingen 20 miljoen Britse ponden aftroggelen van de Britse Zionistenleider Chaim Weizmann (de latere 1e president van IsraŽl) in ruil voor de aanvaarding van de stichting van een Westerse Joodse staat in Palestina.

Weizmann weigerde dat, hij stelde dat de Westerse Zionisten Palestina gemakkelijk zouden kunnen stelen, zonder iemand in de moslimwereld om te hoeven kopen.

Om Ibn Saoed te belonen voor zijn medewerking en loyaliteit t.o.v. de VS en om hem van zijn minderwaardigheidscomplex omtrent zijn nomadenafkomst af te helpen, financierden zijn Amerikaanse vrienden van ARAMCO in de 40-er jaren van de vorige eeuw een studie van de geschiedenis van het Huis Saoed, om zijn imago op te vijzelen. Deze studie produceerde een stamboom van het geslacht Saoed, die aantoonde dat de leden van edele afkomst zijn en biologisch afstammen van profeet Mohammed zelf! Deze "ARAMCO-studie" wordt zelfs tot op heden nog gebruikt door veel Westerse "ArabiŽ-deskundigen".

Ibn Saoed stierf in 1953. Alle zoons die later machtsposities in Saoedi-ArabiŽ zouden gaan bekleden (Saoed, Faisal, Khalid, Fahad) zouden brute dictators worden, niet alleen tegenover hun eigen burgers, maar ook tegenover verbitterde, verjaagde Palestijnen, Arabische nationalisten, communisten, andere moslimlanden en de Sovjet-Unie. Ze leunden zwaar op de VS.

1. De regering van Saoed: 1953-1964

Deze regeringsperiode kenmerkte zich als corrupt, een geldverslindende en play-boy-achtige levensstijl van de Saoeds en weelderige paleizen in binnen- en buitenland. In deze periode ging het land bankroet.

Zowel de VS als ARAMCO behandelden Koning Saoed als een marionet. In 1954 vreesde ARAMCO dat haar monopolie-positie zou worden doorbroken door Saoed's overeenkomsten met de Griekse oliemagnaat Onassis. Dat was in de tijd dat de VS in Iran de populaire regering van Mossadek ten val hadden gebracht, omdat het de Iraanse olie nationaliseerde. De VS dreigden nu ook koning Saoed met dergelijke maatregelen, als de overeenkomsten met Onassis niet teruggedraaid zouden worden. Onmiddellijk deed Saoed wat de VS verlangden.

De VS hebben altijd verhinderd dat de Arabische landen een eigen olie-politiek gingen voeren en streefden naar Arabische eenheid. Dit was immers een voortdurende nachtmerrie voor het imperialistische Westen, alsook voor IsraŽl en het Huis Saoed, dat steeds bang was z'n macht kwijt te raken. Ditwas bijvoorbeeld het geval in 1958, bij de fusie tussen Egypte en SyriŽ Er ontstond de nieuwe staat 'Verenigde Arabische Republiek' onder leiding van Nasser. Tot overmaat van ramp voor het Westen grepen de Arabische Revolutionairen ook nog in 1958 de macht in Irak, waar het corrupte pro-Westerse koningshuis werd afgezet.

Om verdere samensmelting van Arabische krachten te verhinderen, landden er al ťťn dag hierna Amerikaanse troepen in Libanon en Britse troepen in JordaniŽ en LybiŽ.

De CIA en ARAMCO beraamden een geheim plan voor koning Saoed om Nasser te vermoorden en de fusie tussen Egypte en SyriŽ te splijten. De chef van de Syrische Militaire Inlichtingendienst, kolonel As Sarraj, werd door koning Saoed voor 2 miljoen Britse ponden omgekocht om Nasser te laten vermoorden en er volgden nog meerdere liquidatie-pogingen tegen Arabische leiders. Toen het Saoedisch-Amerikaanse complot door Nasser en As Sarraj onthuld werd, kwam Saoed zwaar in de problemen en werd het Huis Saoed mikpunt van de Arabische pers. Ze werden als Amerikaanse marionetten en verraders van de Arabische zaak bestempeld. Na aanhoudende pogingen, zowel openlijke als geheime, om de Verenigde Arabische Republiek te ondermijnen, lukte dit uiteindelijk toch in 1961. Veel later heeft Saoed tegenover Nasser toegegeven dat hij zelf al meer dan 12 miljoen Britse ponden had uitgegeven aan dat doel.

De VS en Groot-BritanniŽ lieten koning Saoed ook de islam als politiek wapen in de strijd gooien tegen de Pan-Arabische gedachte, socialistische ideeŽn en de toenemende invloed van de Sovjet-Unie in de Arabische wereld.

Zodoende werd in 1962 door Saoedi-ArabiŽ het initiatief genomen voor een internationale islamitische conferentie te Mekka. Daar werd de W.M.L., de World Muslim Leage, opgericht met het hoofdkantoor te Mekka, een ultra-conservatieve rechtse Wahhabi-organisatie. Zij spraken zich uit tegen het Arabisch nationalisme en probeerden Nasser in diskrediet te brengen.

Het Saoedisch-Egyptisch conflict mondde in Jemen uit in een bloedige burgeroorlog (1962-1969).

Egypte zond troepen om de linkse Arabisch nationalistische regering van Abdullah al-Sallal te steunen, die het Jemenitische feodale koningshuis van de troon verjoeg. Saoedi-ArabiŽ stuurde geld en wapens naar de monarchisten, die een tegencoup probeerden te plegen.

De regering van de VS was echter niet tevreden over Saoed's beleid, leefwijze en onzinnigheid en de mislukte aanpak tegenover Nasser. In 1964 arrangeerden de VS zijn aftreden en lieten hem opvolgen door z'n veel sluwere halfbroer Faisal. Saoed moest zijn land verlaten en leefde in Athene in ballingschap tot aan z'n dood in 1969.

2. De regering van Faisal:1964-1975

Gedurende z'n gehele regeerperiode liet Faisal de VS het politieke beleid bepalen. Hij vertrouwde zijn veiligheid en bescherming volledig aan hen toe.

De VS en Groot-BrittanniŽ instrueerden Faisal om een politiek islamitisch samenwerkingsverband tussen conservatieve moslimlanden te smeden, om de Pan-Arabische eenheid te ondermijnen. Met dit doel bracht Faisal negen officiŽle staatsbezoeken aan pro-westerse moslimlanden. Nasser en andere Arabische leiders van progressieve Arabische landen als Irak, Algerije, Noord-Jemen en SyriŽ ontmaskerden deze politiek als een Amerikaans-Britse samenzwering om de Arabische wereld te splijten.

Koning Faisal was voortdurend erg bang dat het Huis Saoed van de troon gestoten zou worden, daarom besteedde hij in 1966 en 1967 de meeste tijd aan het bepleiten van meer bescherming bij de VS en Groot-BrittanniŽ. Toen de Britten bijvoorbeeld besloten zich te willen terugtrekken uit Zuid-Jemenen het onafhankelijk wilden laten worden, was Faisal in paniek. Temeer daar er Egyptische troepen in Noord-Jemen aanwezig waren. In tegenstelling tot de Arabische wereld, die blij was met de komende onafhankelijkheid na een lange en bloedige strijd, was Faisal hier zeer verontrust over. De positie van de Arabische nationalisten zou hierdoor versterkt worden.

Faisal ging naar Londen om te bepleiten de Britse troepen in Zuid-Jemen te houden, ook na de onafhankelijkheid. De Britten stemden erin toe hun vertrek een half jaar uit te stellen en om een zee- en luchtmachtbasis in de regio te handhaven.

De weloverwogen en waanzinnige brandstichting in 1969 in de Al Aksa moskee te Jerusalem, bracht het Pan-islamitische streven van Faisal weer op de voorgrond.

Deze Zionistische aanslag, die het op twee na belangrijkste islamitische heiligdom verwoestte, veroorzaakte een schokgolf door de moslimwereld, en een maand nadien werd de eerste islamitische topconferentie belegd in Marokko. Hier kwam de Organisatie van de Islamitische Conferentie uit voort, de O.I.C., met hoofdkwartier te Djedda. De O.I.C. hield sporadisch topconferenties en jaarlijks ministerconferenties, maar bleef verder een inefficiŽnt regionaal politiek orgaan. Ofschoon de O.I.C. oorspronkelijk bedoeld was om de Arabische Liga te verzwakken en Nasser's streven naar Arabische eenheid te dwarsbomen, werd toch enigszins bereikt dat de niet-Arabische moslimwereld dichter bij de Arabische wereld kwam.

Er werden verschillende internationale islamitische instituten opgericht, waarvan de belangrijkste de Islamitische Ontwikkelingsbank was.

Toen Nasser in 1970 aan een hartaanval overleed, was dit een hele opluchting voor het Westen, voor IsraŽl en het Huis Saoed. De vijanden van Nasser vierden zijn dood.

In de Arabische wereld veroorzaakte Nasser's overlijden een nooit eerder geziene droefheid. Zijn begrafenis was de grootste die een staatshoofd in de geschiedenis ooit kreeg. Nasser's dood betekende een zware slag voor het Arabisch nationalisme, dat het tot op heden nog niet te boven gekomen is.

Egypte werd erg kwetsbaar voor de manipulaties door de Amerikanen en het Huis Saoed. Koning Faisal begon vrijages met Nassers's opvolger Sadat en beloofde ruime financiŽle steun als Egypte de banden met de Sovjet-Unie verbrak en terugkeerde naar het kapitalistische kamp. Sinds 1967 was het Suezkanaal gesloten. IsraŽl bezette de Sinai en kaapte daar de Egyptische olie weg.

Daarom had Egypte weinig keus, het had dringend economische en financiŽle steun nodig.

In 1972 werden alle militaire adviseurs van de Sovjet-Unie weggestuurd en kwam al hun materiaal onder Egyptische controle.

De VS werden echter onmiddellijk opgeschrikt toen in 1973, tijdens de Oktober-oorlog, de Egyptenaren de onverwoestbare Bar-Lev Linie op de oostelijke oever van het Suezkanaal verwoestten. Om de oorlog ten gunste van IsraŽl te doen keren, werden door de VS onmiddellijk zware wapens vanaf de Portugese Azoren naar IsraŽl getransporteerd en kreeg IsraŽl 2,2 miljard VS-dollars voor snelle militaire hulp en werd er door de VS wereldwijd alarm geslagen met de verkondiging dat de Sovjet-Unie in de oorlog mee zou doen aan Arabische zijde.

Tengevolge van deze enorme steun aan IsraŽl reageerden de Arabische olieproducerende landen met een snelle productievermindering van de olie, wat de olieprijzen sterk deed stijgen en stelden zij een olie-embargo in tegen de VS en Nederland.

De anti-Westerse staten zoals LibiŽ, Irak, Algerije, Egypte en SyriŽ namen hierin het voortouw. Zelfs de pro-Westerse feodale Golfstaatjes werden gedwongen mee te doen, bang voor interne volksopstanden. Ofschoon Saoedi-ArabiŽ wel meldde dat het meedeed aan het olie-embargo, werd er in het geheim wel geleverd aan de VS. Via Europese landen of de Caribische statenkwam de olie bij de oostkust van de VS. Ondertussen werd koning Faisal door de Amerikaanse propagandamachine voorgesteld als de held en leider van de Arabische wereld.

Dit werd gedaan om het imago van het wankelende Huis Saoed in de Arabische wereld wat op te vijzelen en om de binnenlandse onlusten in Saoedi-ArabiŽ wat te sussen. In 1974 werd Faisal zelfs door Time Magazine als "man van het jaar" uitgeroepen. Deze politieke schijnvertoning werd opgevoerd om de echte Arabische leiders, zoals bijv. Gadaffi, die anti-VS waren, de wind uit de zeilen te nemen.

In maart 1974 werd door de meeste Arabische landen het olie-embargo tegen de VS beŽindigd. In juni 1974 vloog president Nixon naar Djedda om koning Faisal te ontmoeten. Daar werden miljarden-contracten afgesloten betreffende de verkoop van de modernste Amerikaanse wapens en gevechtsvliegtuigen, met de bedoeling het Huis Saoed te beschermen (en daarmee ook de Amerikaanse oliebelangen) en de immense rijkdom van de Saoeds te exploiteren.

In maart 1975 werd koning Faisal vermoord door een neef, prins Faisal Ibn Musaid, als wraak voor z'n vermoorde broer, die in opdracht van koning Faisal doodgeschoten werd tijdens een reactionaire Wahhabi-aanval op het tv-station te Riaad.

De moord op koning Faisal veroorzaakte een golf van paniek in de kapitalistische wereld, maar de troonopvolging door z'n halfbroer Khalid verliep zonder problemen. Sindsdien werden de Saoedische veiligheidsdiensten en ook de CIA in Saoedi-ArabiŽ versterkt.

3. De regering van Khalid: 1975-1982

Khalid steunde sterk op de Westerse grootmachten om zijn koningshuis te beschermen. Net als zijn voorgangers was hij een niet hoog-opgeleid persoon. Tijdens zijn regering beleefde Saoedi-ArabiŽ echter de grootste economische ontwikkeling in de geschiedenis, groter dan in enig ander land gebeurd is. Dankzij de oprichting van de OPEC in 1960 te Bagdad, konden Saoedi-ArabiŽ en de rest van de olieproducerende derdewereldlanden geleidelijk aan hun olierijkdommen, die tot dan toe volledig in handen waren van de grote oliemaatschappijen, in eigen beheer nemen. ( 5 Amerikaanse, 1 Britse, B.P., en 1 Nederlandse, Shell,) De Arabisch-IsraŽlische oorlog in 1973 was echter de katalysator voor de macht van de OPEC.

Omdat Saoedi-ArabiŽ de meeste olie heeft, is het land het rijkste en machtigste lid van de OPEC, vooral toen de olieprijzen scherp stegen vanaf 1973. Eind zeventiger en begin tachtiger jaren, toen de macht van de OPEC zijn top bereikte, vergaarde Saoedi-ArabiŽ meer dan 100 miljard VS-dollars door de olie. Maar aangezien Saoedi-ArabiŽ volledig onder Westerse controle stond hebben Westerse bedrijven de meeste rijkdommen weer teruggekaapt door onnodige zware wapens te verkopen, of door lucratieve contracten met het Huis Saoed af te sluiten.

In 1979 vond de islamitische revolutie in Iran plaats. De corrupte Sjah en het ondemocratische koningshuis moesten het veld ruimen.

President Carter en koning Khalid waren in paniek. Toen de sjah toegelaten werd tot de VS, werden als tegenmaatregel VS-diplomaten in Teheran gevangen gehouden. Nooit eerder werden de VS zo vernederd tijdens hun jarenlange smerige politieke intriges in de moslimwereld. De daaropvolgende mislukte reddingsoperatie van de grootste kernmacht ter wereld droeg nog bij aan de euforie in de moslimwereld. De angst van de VS en hun Arabische lakeien werd nog groter door de opstand in Mekka en het in bezit nemen van de Grote Moskee door moslimrevolutionairen.

Bang voor zijn eigen hachje en omdat hij de bezetting van Mekka niet kon beŽindigen, smeekte koning Khalid zijn Westerse bondgenoten om hulp. Het Westen reageerde snel, Britse en Franse paratroepen vielen de Grote Moskee aan, overstroomden hem met water, en sloten de elektriciteit eropaan. Demeeste rebellen werden geŽlektrocuteerd. Er vielen hierbij 227 doden en 400 gewonden, 63 rebellen werden in het openbaar onthoofd, wat ter afschrikking van potentiŽle opstandelingen live op de Saoedische televisie werd uitgezonden.

In januari 1980 stuurde de Sovjet-Unie troepen naar Afghanistan om de revolutionaire regering tegen Amerikaanse dreiging te beschermen. Een maand later kondigden de VS de "Carter-doctrine" af om het gebied van de Arabische Golf te beschermen. Net als de "Eisenhower-doctrine" van 1957, was de "Carter-doctrine" bedoeld om het Huis Saoed te beschermen, evenals de door het Westen gecontroleerde Golfstaatjes en om de controle over Arabische olie veilig te stellen. In het Golfgebied werd de Amerikaanse Snelle Interventiemacht gestationeerd.

Ook in het jaar 1980 werd Irak door de VS, Koeweit, en Saoedi-ArabiŽ aangespoord om Iran aan te vallen. Het Westen, maar vooral de VS, leverde Irak geavanceerde zware wapens. Saoedi-ArabiŽ en de feodale Golfstaatjes betaalden tientallen VS-dollars aan Saddam Hoessein, om de bloedige achtjarige oorlog te voeren, die ongeveer 1 miljoen levens kostte.

Bovendien kocht koning Khalid de Iraanse luchtmachtkolonel Raed Rukmi om voor 10 miljoen VS-dollars, om een staatsgreep tegen Khomeini te plegen. De poging tot een staatsgreep liep op niets uit, net zoals de poging van Saoed tegen Nasser in 1958.

Om een grotere bescherming te bieden aan koning Khalid en het Huis Saoed, werd de militaire macht op het Arabisch Schiereiland aanzienlijk uitgebreid.

De VS stationeerden in 1981 vijf AWACS-vliegtuigen, de meest geavanceerde militaire waarschuwings- en controlesystemen in de lucht ter wereld. Tevens begonnen ze in Saoedi-ArabiŽ met de bouw van de meest geavanceerde ondergrondse kernwapenfaciliteiten van de Arabische wereld.

Aangezien de Iraanse islamitische revolutie niet door oorlog en niet door omkoping weg te krijgen was, besloten de pro-Westerse Arabische Golfstaten de krachten te bundelen en richtten de Golf-Samenwerkingsraad op, uiteraard gestimuleerd en met goedkeuring door de VS. In deze raad waren Saoedi-ArabiŽ, Koeweit, Bahrein, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten en Oman verenigd, om sterker te staan tegen bedreigingen vanuit binnen-en buitenland.

4. De regering van Fahad: 1982- ...

In juni 1982 stierf koning Khalid aan een hartaanval. Hij werd door z'n halfbroer Fahad opgevolgd.

Net als z'n halfbroer Saoed staat Fahad bekend als gokker, dronkaard, rokkenjager en om z'n luiheid, geldzucht, en zijn weelderige paleizen in Saoedi-ArabiŽ en daarbuiten. Hij wordt door sommigen wel als de rijkste man ter wereld beschouwd.

Terwijl de meeste SaoediŽrs, andere Arabieren en moslims Fahad haten en hem een brute dictator vinden die symbool staat voor al het slechte van het corrupte Huis Saoed-wahhabi, waren de Amerikanen weg van hem vanwege zijn slaafse volgzaamheid aan het imperialistische Westen.

De Saoedi-Amerikaanse betrekkingen komen tijdens de regering van Fahad tot een nieuw hoogtepunt, de totale inkapseling van Saoedi-ArabiŽ in het imperialistische systeem van de VS.

De VS gebruikten het marionetten-regime van het Huis Saoed om een nieuw olie-embargo te voorkomen, de inkomsten van de Arabische oliestaten te verminderen en om de OPEC te verzwakken. Om het Westen van dienst te zijn begon Saoedi-ArabiŽ zijn olieproductie op te voeren om te olieprijs te laten zakken. De progressievere Arabische lidstaten van de OPEC, zoals LibiŽ, Irak en Algerije, weigerden hieraan mee te werken. Door toedoen van Saoedi-ArabiŽ raakte de wereldmarkt aan olie verzadigd, in 1986 was deprijs per vat al gedaald tot 7 VS-dollar.

Voor het oog van de wereld werd de schuld in de schoenen geschoven van de populaire olieminister Yamani. Fahad, die jaloers was op de populariteit van de hoogontwikkelde Yamani, gaf hem oneervol ontslag. Alle olieproducerende Arabische staten en moslimstaten hebben ernstig geleden onder de ineenstorting van de olieprijs, ook Saoedi-ArabiŽ zelf. De economische situatie van Saoedi-ArabiŽ is zelfs zodanig verslechterd, dat de buitenlandse schuld 100 miljard VS-dollars bedraagt, de waarde van twee jaar olie-inkomsten. De Saoedische regering heeft de laatste jaren fors gesneden in de binnenlandse uitgaven voor onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, e.d.

De levensstandaard van de bevolking is achteruitgegaan, de werkloosheid gegroeid.

Zoals de VS koning Fahad gebruikten om de OPEC te verzwakken, lieten ze hem ook vele van hun wereldwijde anticommunistische terroristische activiteiten financieren, waar ook IsraŽl bij betrokken is geweest. Gedurende de tachtiger en negentiger jaren gaf Fahad tientallen miljoenen dollars uit om de brute oorlogen van de VS tegen revolutionairen in landen als Afghanistan, Nicaragua, Angola, SomaliŽ, Tsjaad, ZaÔre en Soedan te ondersteunen. Fahad betaalde ook 2 miljoen dollar om een geheime operatie van de CIA te helpen financieren om de Italiaanse communisten van de macht af te houden.

Toen in 1990 de Sovjet-Unie ineenstortte, na 45 jaar Amerikaanse embargo's, nucleaire omsingeling, dure wapenwedloop, bloedige Koude Oorlog-conflicten door de VS uitgelokt en wereldwijde anticommunistische propagandacampagnes in alle belangrijke talen, werd dit door koning Fahad en het Huis Saoed uitbundig gevierd.

Om zijn bazen in Washington te behagen bood Fahad economische hulp aan de VS aan.

Terwijl hij zijn arme Arabische en moslimbuurlanden altijd een deel van de olie-rijkdommen misgunde, was hij tegenover de VS zeer vrijgevig. Zo financierde hij bijvoorbeeld het Amerikaans chronisch begrotingstekort (een direct gevolg van de brute militaire interventies in alle hoeken van de wereld) door te investeren in waardepapieren en deposito's en gigantische bedragen op Amerikaanse banken te deponeren. Bovendien werd Saoedi-ArabiŽ de grootste afnemer van Amerikaans militair materieel ter wereld.

Tijdens de regering van Fahad werd het meeste van het Saoedi-Arabische geldoverschot dat op Westerse banken was gedeponeerd (net als dat van Koeweit) doorgesluisd naar de regering van de VS om de kosten van de bescherming van Saoedi-ArabiŽ tegen een "Iraakse invasie" te dekken en het "legitieme" Koeweitse Huis Sabah terug aan de macht te brengen, de rijke olievelden van de G.C.C. te bezetten, Irak binnen te dringen en te bezetten.

Eveneens hielp koning Fahad de Amerikanen om het apartheidsregime van Zuid-Afrika olie te leveren, ondanks de internationale economische boycot. Ook kocht Saoedi-ArabiŽ Amerikaanse producten, waarvan onderdelen in IsraŽl geproduceerd werden, in strijd met de boycot van IsraŽl door de Arabische Liga.

Fahad hielp IsraŽl ook in de strijd tegen de sji'ieten in Libanon, die moedig weerstand boden tegen de IsraŽlische invasie in hun land in 1982. Een neef van Fahad, prins Bandar bin Sultan, spande samen met de CIA in een moordaanslag op de Libanese Sji'ietenleider van Hezbollah Sjeik Mohamed Hoessein Fadlailah. Bandar betaalde de CIA drie miljoen dollar voor een auto met dynamiet voor Fadlailah's woning in Beiroet. Er vielen 80 Libanese doden en 200 gewonden, Fadlailah raakte niet gewond.

Ofschoon de meeste mensen ter wereld, en zeker Arabieren en moslims, wel weten dat de CIA 's werelds ergste terroristische organisatie, door hun zeer gewelddadige staat van dienst in zeer veel landen ter wereld, is, ging prins Bandar er prat op in 1989 op de CBS-televisie, dat hij met de regering van de VS en de CIA samenwerkte.

Vanwege Bandar's medewerking en de schenkingen van het Huis Saoed van tientallen miljoenen dollars aan de door de VS gesteunde contra's in Nicaragua, werd hem een prijs toegekend door de CIA. De gewezen directeur van de CIA, William Casey, was een persoonlijk vriend van Bandar.

In 1990 schokte en griefde Fahad de hele Arabische en moslimwereld door de VS toe te staan zijn land te bezetten met 500.000 Amerikaanse militairen en Irak te vernietigen, ondanks het feit dat Irak Saoedi-ArabiŽ niet aanviel of bedreigde. Saoedi-ArabiŽ droeg 56 miljard dollar bij in de kosten van deze oorlog tegen Irak. Koning Fahad leidde ook samenzweringen in Arabische landen om de Westerse machten te behagen. Zo ondermijnde hij de democratie in Algerije in 1992 door de Islamitische Partij van de macht af te houden in dat land en probeerde in 1994 tevergeefs de prille hereniging van Noord- en Zuid-Jemen te verbreken.

Bovendien werkte het Huis Saoed in het geheim samen met de VS en IsraŽl aan het breken van het grootste Arabische land Soedan, door de rebellen in het zuiden te steunen, die een nieuwe niet-Arabische staat willen stichten.

Als gevolg van een beroerte werd Fahad in 1995 praktisch uitgeschakeld om zijn functie nog te kunnen uitoefenen. Kroonprins Abdullah (halfbroer van Fahad) nam de taken over. Dezelfde politiek werd voortgezet, de VS op haar wenken bedienen.

Na de terroristische aanslagen op de VS in 2001 werd Saoedi-ArabiŽ geheel beschikbaar gesteld voor de oorlogvoerende Amerikanen, die Afghanistan binnenvielen zonder hard bewijs te hebben dat dat land achter de aanslagen zat. Abdullah stond ook toe dat zijn land overspoeld werd met FBI-agenten (sommigen Amerikaanse joden en Zionisten) om Saoedi's en andere Arabieren te ondervragen, intimideren en kwellen, als ze dat wilden. Op bevel van de VS veranderde het Huis Saoed zelfs het islamitische schoolprogramma in Saoedi-ArabiŽ en zelfs de betekenis van het woord "jihad" in de islam. Eveneens werd door kroonprins Abdullah in 2002, tijdens de Arabische Top Conferentie in Beiroet, voorgesteld het "Palestijnse probleem" af te kopen door het aanknopen van vriendschappelijke, politieke, economische en culturele betrekkingen met IsraŽl door alle Arabische staten, in ruil voor een Palestijnse staat. Tenslotte beschaamde het Huis Saoed in 2003 opnieuw de Arabische en moslimstaten, door volledige collaboratie met de VS tijdens hun illegale invasie in Irak, die resulteerde in het afslachten van duizenden Iraki's en de vernietiging van hun land. Het Huis Saoed stelde niet alleen zijn land beschikbaar voor de VS-troepen, maar gaf ook financiŽle steun en ongelimiteerde oliebevoorrading voor hun oorlogsmachine. Duizenden VS-militairen bevinden zich nu nog in Saoedi-ArabiŽ, niet alleen op hun luchtmachtbasis in Dahran en de kernwapenbases, maar in het hele land verspreid om de olievelden te controleren en binnenlandse opstanden in de kiem te smoren.

IV. Saoedi-ArabiŽ en het Westen: Conclusie

Tegenwoordig is het Huis Saoed duidelijk het belangrijkste Amerikaanse instrument om controle over de Arabische landen uit te oefenen. Door hun openlijke en onderdanige collaboratie op alle fronten met de Westerse vijanden van Arabieren en islam, vernederen en verraden ze niet alleen hun eigen burgers maar ook de Palestijnen, de gehele Arabische moslimwereld en zelfs de OPEC-landen. Als lid van de Arabische Liga doet Saoedi-ArabiŽ zijn best om de Arabische integratie en samenwerking op elk gebied te saboteren.

In Saoedi-ArabiŽ is er geen politieke vrijheid, geen journalistieke vrijheid en geen sociale vrijheid. Saoedische burgers hebben niet het recht om met buitenlanders te trouwen, film en theater zijn verboden en vrouwen hebben zelfs niet het recht auto te rijden. In feite is het Huis Saoed de meest feodale, corrupte en wrede regeringsmacht ter wereld. De enormerijkdommen zijn sterk geconcentreerd in het Huis Saoed en directe omgeving. Elke lagere prins strijkt een maandinkomen op van 20.000 dollar of hij werkt of niet. Als een prins twee vrouwen en tien kinderen heeft is dat bedrag 260.000 dollar per maand. Belangrijke prinsen ontvangen jaarlijks 100 miljoen dollar. Bovendien levert het Huis Saoed 520 voorzitters van grote Saoedische bedrijven. Het budget voor het Huis Saoed bedraagt 15 procent van het nationale inkomen oftewel tussen de vier en zeven miljard dollar. De meeste topleden van het Huis Saoed zijn bevriende zakenpartners van de Britse koninklijke familie en van de Amerikaanse families Rockefeller, Dupont, Morgan en Melon. Tientallen miljarden dollars zijn op Britse en Amerikaanse banken, die eigendom zijn van Westerse zakenpartners, gedeponeerd.

Al sinds begin vijftiger jaren is Saoedi-ArabiŽ de 52ste staat van de VS, (IsraŽl de 51ste). In feite is Saoedi-ArabiŽ een Amerikaanse kolonie, voor 100 procent gesteund en beschermd door de regering van de VS, er kan niets in de binnenlandse of buitenlandse politiek gebeuren zonder goedkeuring van de VS.

Alle pogingen van het Saoedische leger of luchtmacht om het feodale Huis Saoed de macht te ontnemen, zijn gestrand door de regering van de VS en de CIA-agenten die het land controleren. De Amerikaanse aanwezigheid in Saoedi-ArabiŽ wordt door de Arabieren en moslims niet alleen binnen, maar ook buiten Saoedi-ArabiŽ, als zeer beledigend opgenomen. Dit wordt duidelijk door de steeds toenemender aantallen oppositiegroeperingen, demonstraties en terroristische aanvallen op Westerse doelen en op de regering, in de afgelopen 10 jaar. Minstens 80 procent van de Saoedi's steunt Osama bin Laden en Al Qaeda. De hypocriete regering van de VS, die overal en altijd de mond vol heeft van democratie, vrije verkiezingen en mensenrechten, heeft dit nog nooit eerder aangekaart in Saoedi-ArabiŽ en de andere Westers georiŽnteerde marionettenstaten. De reden hiervoor is eenvoudig. Als het Huis Saoed afgezet zou worden door ofwel Arabische nationalisten of islamitische fundamentalisten, het Westen in het algemeen en de VS in het bijzonder, zou hij alle macht in de Arabische wereld verliezen, zouden volgens een domino-effect ook de kleinere feodale oliestaatjes vallen, en zou IsraŽl alleen staan in het Midden-Oosten. Ook zouden de miljarden dollars van de Westerse banken afgehaald en besteed worden in de Arabische wereld. Dat zou een verwoestend effect hebben op de Britse en Amerikaanse economiŽn. De OPEC zou weer sterk staan en de Arabische en moslimwereld zou weer sterk staan. Dit schrikbeeld voor het Westen maakt duidelijk waarom het Huis Saoed aan de macht moet blijven. Er zijn drie vijanden voor de Arabieren: IsraŽl, het imperialistische Westen en de Arabische verraders. Allereerst moet de Arabische wereld zich van de verraders ontdoen. Saoedi-ArabiŽ is nog nooit zo rijp voor een volksrevolutie geweest als nu. Als de Arabieren er nu niet in slagen af te rekenen met hun verraders, komt hun bestaan als natie in de nabije toekomst ernstig in gevaar.

Auteur: dr. Abdullah Mohammed Sindi, geboren in Saoedi-ArabiŽ, studeerde in de VS, was professor Internationale Betrekkingen en Politieke Wetenschappen aan de Universiteit van Djedda. Hij woont en werkt nu in de Ver.Staten aan verschillende universiteiten. Hij werkte ook 2 jaar voor de Verenigde Naties te New York. Hij publiceerde verschillende artikelen in het Arabisch en het Engels, zowel in Saoedi-ArabiŽ, als in de VS. Hij schreef het boek: De Arabieren en het Westen.

Vertaling: Ardengo Persijn.