De opkomst van het rampenkapitalisme

Naomi Klein

In augustus vorig jaar, toen de media hun zomerslaapje deden, zette de doctrine van de preventieve oorlog van de regering Bush een forse stap voorwaarts. Op 5 augustus 2004 riep het Witte Huis het 'Bureau voor de Coördinatie van de Wederopbouw en Stabiliteit' in leven, met aan het hoofd de vroegere ambassadeur in Oekraïne, Carlos Pascual. De opdracht van deze instelling is het ontwerpen van 'post-conflict'-plannen voor meer dan vijfentwintig landen die zich op dit moment nog niet eens in een conflict bevinden. Volgens Pascual behoort het tegelijkertijd coördineren van drie volledige wederopbouwprogramma's in verschillende landen, die elk "vijf tot zeven jaar" kunnen duren tot de mogelijkheden van dit bureau.

Dat een regering die zich wijdt aan duurzame preventieve afbraak nu beschikt over een instelling die zich bezighoudt met langdurige preventieve wederopbouw is typisch te noemen.

Voorbij is de tijd waarop gewacht werd tot het uitbreken van een oorlog, vooraleer men overging tot het opstellen van ad-hocplannen om de boel achteraf weer op te bouwen. In nauwe samenwerking met de National Intelligence Council houdt Pascual's bureau een lijst bij van 'hoge risicolanden' en worden er snelle-reactieteams samengesteld die tijdens oorlogsvoorbereidingen snel ingezet kunnen worden wanneer een conflict daadwerkelijk uitbreekt. Deze teams worden samengesteld door privé-bedrijven, niet-gouvernementele organisaties en denktanks. Zoals Pascual afgelopen oktober bekendmaakte op het Center for Strategic and International Studies (CSIS) zullen verschillende van deze instellingen alvast voorcontracten aangeboden krijgen om landen die nog niet afgebroken zijn weer op te bouwen. Dankzij dit voorbereidende papierwerk zou er "drie tot zes maanden aan reactietijd gewonnen kunnen worden."

De plannen die Pascual's teams in zijn weinig bekende bureau op het ministerie van Buitenlandse Zaken ontwerpen hebben allemaal betrekking op veranderingen in "het hart van de maatschappelijke organisatie" van een land, zo verklaarde hij op het CSIS. De taak van het bureau bestaat niet uit de wederopbouw van oude staten, maar uit het scheppen van nieuwe, die "democratisch en marktgeoriënteerd zijn". Zo zouden zijn snelle wederopbouwers (en dit voorbeeld toverde hij ongetwijfeld spontaan en terloops uit zijn hoge hoed) kunnen helpen bij de verkoop van "staatsbedrijven die een levensvatbare economie in de weg staan." Soms betekent wederopbouw de "afbraak van het oude", zo legde hij uit.

Er zijn maar weinig ideologen die het idee van een onbeschreven blad kunnen weerstaan. Dat was dan ook de verleidelijke belofte van het kolonialisme: het 'ontdekken' van een uitgestrekt grondgebied waar een utopische creatie mogelijk leek. Het kolonialisme is echter dood, zo vertelt men ons tenminste. Er zijn geen nieuwe plekken meer te ontdekken, er is geen Terra Nullius meer (alsof er ooit een niemandsland was), geen blanco pagina's waarop, zoals Mao ooit zei, "de modernste en mooiste woorden geschreven kunnen worden." Er is echter wel sprake van voldoende verwoesting, landen die in puin gegooid worden door de straffe Gods of door de toorn van Bush (op bevel van God). En waar er verwoestingen zijn volgt er wederopbouw, een kans om de "afschuwelijke naaktheid" zoals een VN-medewerker de vernielingen in Atjeh onlangs beschreef, aan te kleden met de mooiste en perfecte plannen.

"Vroeger hadden we ordinair kolonialisme", zegt Shalmali Guttal, een Indiase onderzoeker die verbonden is aan "Focus on the Global South". Nu is het kolonialisme subtieler en noemen ze het "wederopbouw."

Het lijkt er inderdaad op dat steeds grotere delen van de wereld actief gereconstrueerd worden: ze worden opnieuw opgebouwd door een parallelle regering die bestaat uit de bekende club van winstzoekende adviesbureaus, constructiebedrijven, mega-NGO's, hulporganisaties van de verschillende landen en van de VN en internationale financiële instellingen. De bevolkingen in deze wederopbouwlocaties, van Irak tot Atjeh en van Afghanistan tot Haïti uiten telkens dezelfde klachten. Het werk schiet te langzaam op, als het al vordert. De buitenlandse adviseurs leven er goed van, ze krijgen onkostenvergoedingen en salarissen van duizenden dollars per dag, terwijl de plaatselijke bevolking uitgesloten wordt van de begeerde banen en de besluitvorming. De deskundigen op het gebied van de 'democratie' lezen regeringen de les over transparantie en 'goed beleid', maar de meeste aannemers en NGO's weigeren de regeringen inzicht te verschaffen in hun boekhouding, laat staan dat ze de controle over hoe de hulpfondsen besteed worden aan hen overdragen.

Drie maanden nadat de tsunami Atjeh trof publiceerde de 'New York Times' een verontrustend verhaal waarin te lezen stond dat "er haast nog geen aanvang is gemaakt met de herstelwerkzaamheden en de wederopbouw." Het bericht had net zo goed uit Irak kunnen komen waar, zoals de 'Los Angeles Times' onlangs berichtte, alle door Bechtel zogenaamd herstelde waterkrachtcentrales weer uit elkaar beginnen te vallen, een van de vele blunders in de eindeloze litanie van wederopbouwfiasco's. Het had ook afkomstig kunnen zijn uit Afghanistan waar president Hamid Karzal zopas de "corrupte, verspillende en onverantwoordelijke" buitenlandse aannemers de mantel uitveegde omdat ze de "kostbare hulp die Afghanistan ontvangt verkwisten". Of uit Sri Lanka, waar 600.000 mensen die hun huis verloren bij de tsunami nog steeds wegkwijnen in tijdelijke opvangkampen. Honderd dagen na de rampzalige vloedgolf stuurde het hoofd van de National Fisheries Solidarity Movement in het Sri Lankaanse Negombo, Herman Kumara, een wanhopige e-mail naar collega's over de hele wereld. "Het geld dat bestemd was voor de slachtoffers komt alleen maar ten goede aan de weinige bevoorrechten, niet aan de echte slachtoffers", zo schreef hij. "Onze stemmen worden niet gehoord en mogen niet gehoord worden."

Als de reconstructie-industrie blijkbaar zo onbekwaam is in de wederopbouw dan komt dat wellicht omdat de wederopbouw niet haar eerste doel is. Volgens Guttal is "wederopbouw helemaal niet het eerste doel; ze willen alles herscheppen." De verhalen over corruptie en incompetentie dienen om dit grotere schandaal te maskeren: de opkomst van een roofdierachtige vorm van kapitalisme dat gebruikmaakt van de wanhoop en de angst die door de catastrofe veroorzaakt werden met als doel een radicaal sociale en economische ommezwaai. Op dit gebied opereert de reconstructie-industrie zo snel en efficiënt dat de privatiseringen en het confisqueren van het land plaatsgevonden hebben voordat de plaatselijke bevolking doorheeft wat haar trof. In een andere e-mail waarschuwt Kumara ervoor dat Sri Lanka nu te kampen heeft met "een tweede tsunami van commerciële globalisering en militarisering", die in potentie nog verwoestender is dan de eerste. "We zien het als een vooropgezet plan om, terwijl de tsunami-crisis nog in volle gang is, de zee en de kusten in handen te geven aan buitenlandse bedrijven en aan het toerisme, met militaire steun van Amerikaanse mariniers."

Toen hij nog onderminister van Defensie was ontwierp en leidde Paul Wolfowitz een opvallend gelijkaardig project in Irak: de vlammen in Bagdad waren nog niet gedoofd of de Amerikaanse bezettingsautoriteiten herschreven deinvesteringswetten en kondigden aan dat Irak's staatsbedrijven geprivatiseerd zouden worden. Verschillende critici hebben dit als argument gebruikt om Wolfowitz ongeschikt te verklaren als leider van de Wereldbank, maar niets is minder waar. Een betere voorbereiding op zijn nieuwe baan had hij zich niet kunnen wensen. Wolfowitz hield zich bezig met hetgeen de Wereldbank al deed en doet in vrijwel elk door oorlog en rampspoed getroffen land, alleen deed hij het met minder bureaucratische rompslomp en met meer ideologische bravoure.

'Postconflict'landen ontvangen nu 20-25 procent van de totale leningen van de Wereldbank. In 1998 was dit nog 16 procent en dat was al een stijging van 800 procent in vergelijking met 1980, volgens een onderzoek van het Congres. Een snelle reactie op oorlogen en natuurrampen is traditioneel altijd het domein van de Verenigde Naties geweest, die in samenwerking met de NGO's noodhulp boden, tijdelijke onderkomens verzorgden enz. Nu is de wederopbouw echter een geweldig winstgevende industrie gebleken, te belangrijk om over te laten aan de weldoeners van de VN. Tegenwoordig geeft de Wereldbank, die toch al het principe aanhing van "armoedebestrijding met winstoogmerk", de toon aan.

Dat er winst te maken valt in de wederopbouwbusiness lijdt geen twijfel. Er is sprake van megacontracten voor de constructie- en toeleveringsbedrijven (10 miljard dollar alleen al voor Halliburton in Irak en Afghanistan); het "opbouwen van een democratie" is een industrie geworden ter waarde van twee miljard dollar; nog nooit zijn de tijden voor privé-adviesbureaus, die regeringen adviseren over de verkoop van hun bezittingen en die vaak als onderaannemers regeringstaken overnemen, zo rooskleurig geweest. Bearing Point, een van de meest begunstigde Amerikaanse bedrijven, meldde dat de "inkomsten van de afdeling openbare diensten in vijf jaar tijd verviervoudigd zijn" en de winsten zijn enorm: 342 miljoen dollar in 2002, een winstmarge van 35 procent.

Verwoeste landen zijn ook om een andere reden aantrekkelijk voor de Wereldbank: ze volgen bevelen goed op. Na een catastrofale gebeurtenis zullen regeringen gewoonlijk alles doen om hulpfondsen in dollars te ontvangen, zelfs als dit inhoudt dat de schulden zich opstapelen en er ingrijpende beleidshervormingen moeten komen. Politieke organisatie tegen de privatiseringen lijkt een niet te veroorloven luxe als de lokale bevolking wanhopig op zoek is naar onderdak en voedsel.

Nog gunstiger vanuit het oogpunt van de Wereldbank is dat veel door oorlog geteisterde landen zich in een staat van "beperkte soevereiniteit" bevinden: ze worden geacht instabiel te zijn en niet in staat om het binnenkomende hulpgeld zelf te beheren, zodat dit vaak in een door de Wereldbank beheerd fonds terechtkomt. Dit is bijvoorbeeld het geval op Oost-Timor, waar de Wereldbank mondjesmaat geld aan de regering verstrekt zolang deze aantoont dat het op verantwoordelijke wijze wordt uitgegeven. Blijkbaar betekent dit het dramatisch snijden in de overheidsbanen (het Timorese bestuur is nog maar half zo groot als ten tijde van de Indonesische bezetting) en tegelijkertijd het verkwisten van hulpgeld aan buitenlandse adviseurs die de regering van de Wereldbank moet inhuren (onderzoeker Ben Moxham schrijft: "Op een ministerie verdient één enkele internationale adviseur in een maand hetzelfde als zijn twintig Timorese collega's samen in een heel jaar").

In Afghanistan waar de Wereldbank eveneens de hulp aan het land door middel van een fonds coördineert, is het al zover gekomen dat de gezondheidszorg geprivatiseerd is door de weigering om geld aan het ministerie van Volksgezondheid te geven dat er ziekenhuizen van wilde bouwen. In plaats daarvan werd het geld overgemaakt aan de NGO's, die op basis van driejarige contracten hun eigen privé-klinieken leiden. Ook heeft de Wereldbank een "grotere rol voor de privé-sector" verordend in het watersysteem, de telecommunicatie en de olie- en gaswinning. De regering heeft opdracht gekregen zich "terug te trekken" uit de elektriciteitssector en deze over te laten aan "buitenlandse privé-investeerders." Over deze diepgravende hervormingen in de Afghaanse maatschappij werd nooit gediscussieerd en er werd ook geen verslag van gedaan. Buiten de Wereldbank waren er maar weinigen die er weet van hadden. Deze hervormingen werden ver weggestoken in een 'technische bijlage' die toegevoegd was aan de concessie waarmee het 'hulpgeld' voor Afghanistan's door de oorlog verwoeste infrastructuur verleend werd, twee jaar voordat het land een gekozen regering had.

Voor een groot deel vindt hetzelfde in Haïti plaats, na de afzetting van president Jean-Bertrand Aristide. In ruil voor een lening van 61 miljoen dollar vereist de Wereldbank een "openbaar en privé-partnerschap om de gezondheids- en onderwijssector te besturen", zoals blijkt uit documenten, hetgeen erop neerkomt dat privé-bedrijven de leiding hebben over de scholen en de ziekenhuizen. Roger Noriega, de Amerikaanse onderminister voor het Westelijk Halfrond op Buitenlandse Zaken, heeft duidelijk gemaakt dat de regering Bush deze doelstellingen ondersteunt. "Ook zullen wij de Haïtiaanse regering aanmoedigen om op het daartoe geëigende tijdstip stappen voorwaarts te zetten als het gaat om de hervorming en de privatisering van verschillende ondernemingen in de publieke sector", zo verklaarde hij op 14 april 2004 aan het American Enterprise Institute.

Dit zijn buitengewoon omstreden plannen in een land met een krachtige socialistische basis en de Wereldbank geeft toe dat dit precies is wat de bank ertoe aanzet de druk op te voeren, nu Haïti onder een zo goed als militair bewind staat. "De overgangsregering voorziet in veel kansen om economische hervormingen door te voeren, die voor een toekomstige regering maar moeilijk ongedaan te maken zijn", meldt de Wereldbank in haar overeenkomst die met Haïti gesloten is in het kader van het het Economic Governance Reform Operation Project. Voor de Haïtianen getuigt dit van bittere ironie: de meesten wijten de verheviging van de politieke crisis waardoor Aristide het veld moest ruimen aan de multilaterale instellingen, waaronder de Wereldbank, omdat zij honderden miljoenen aan toegezegde leningen achterhielden. Destijds verklaarde de Inter-American Development Bank onder druk van het ministerie van Buitenlandse Zaken dat Haïti onvoldoende gedemocratiseerd was om het geld te mogen ontvangen, waarbij verwezen werd naar kleine onregelmatigheden tijdens de verkiezingen. Nu Aristide eenmaal verdwenen is bouwt de Wereldbank een feestje omdat ze nu aan het werk kan gaan in een gebied waar van democratie geen sprake is.

De Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds hebben de afgelopen dertig jaar op verschillende landen die in wanorde verkeerden een shocktherapie toegepast, vooral na de militaire coups in Latijns-Amerika en na de ineenstorting van de Sovjet-Unie. Toch zeggen veel waarnemers dat het hedendaagse rampenkapitalisme pas echt op gang kwam ten tijde van de orkaan Mitch. Gedurende een week in oktober 1998 hield Mitch huis in Centraal-Amerika, waarbij hele dorpen verdwenen en meer dan negenduizend mensen het leven verloren. Landen die al in armoede verkeerden waren wanhopig op zoek naar hulp voor de wederopbouw en die kwam er ook, maar niet onvoorwaardelijk. In de twee maanden na het toeslaan van Mitch, toen het land nog in puin lag en de modder en lijken nog niet opgeruimd waren, gaf het Hondurese Congres de aanzet tot wat de 'Financial Times' de "razende uitverkoop na de storm" noemde. Er werden wetten aangenomen die de privatisering van luchthavens, zeehavens en snelwegen toestonden, evenals snelle plannen om het staatstelefoonbedrijf, de nationale elektriciteitsvoorziening en delen van de watersector te privatiseren.

Landhervormingswetten werden herroepen en het werd voor buitenlanders gemakkelijker gemaakt om bezit te verwerven of te verkopen. In de aangrenzende landen deed zich iets soortgelijks voor: in dezelfde twee maanden kondigde Guatemala plannen aan om de telefoonmaatschappij te verkopen. Nicaragua deed hetzelfde en verkocht zijn elektriciteitsbedrijf en olie-industrie.

Al deze privatiseringsprojecten werden erdoor gedrukt door de gebruikelijke verdachten. Volgens de 'Wall Street Journal' "gooiden de Wereldbank en het IMF hun gewicht in de schaal bij deze verkopen, omdat ze die als voorwaarden stelden voor het verstrekken van pakweg 47 miljoen dollar aan jaarlijkse hulpfondsen gedurende drie jaar en voor het kwijtschelden van 4,4 miljard dollar van Nicaragua's buitenlandse schuld".

Nu gebruikt de Wereldbank de tsunami van 26 december om haar standaardbeleid door te drukken. De meest verwoeste landen hebben nog haast geen schuldenverlichting gehad en de meeste noodhulp van de Wereldbank bestaat uit leningen en niet uit giften. De nadruk ligt niet op de hulp aan de kleine vissersgemeenschappen, waar meer dan 80 procent van de slachtoffers viel. De Wereldbank dringt aan op een uitbreiding van de toeristensector en de grote visverwerkende industrie. Wat de beschadigde infrastructuur zoals wegen en scholen betreft, uit documenten van de Wereldbank blijkt dat de reparatie hiervan de "openbare financiën zouden kunnen belasten". Vandaar dat voorgesteld wordt dat de regeringen de privatisering ervan moeten overwegen (inderdaad, ze denken maar aan één ding). "Voor verschillende investeringen", zo meldt het tsunami-actieplan van de Wereldbank, "kan het nodig zijn private fondsen te gebruiken."

Net zoals op andere reconstructielocaties, van Haïti tot Irak, heeft de hulp in de tsunamigebieden niet tot doel weer op te bouwen wat er verloren ging. Er is al een aanvang gemaakt met de wederopbouw van de industrie en de hotels aan de kusten van Sri Lanka, Thailand, Indonesië en India, maar de regeringen hebben wetten aangenomen waardoor het voor de gezinnen onmogelijk wordt hun huizen weer aan de kust te bouwen. Honderdduizenden mensen worden gedwongen verplaatst naar het binnenland, in Atjeh naar quasi-militaire barakkenkampen en in Thailand naar geprefabriceerde betonnen dozen. De kustlijn wordt niet ingericht zoals hij was, met her en der verspreide vissersdorpjes en het strand bedekt met handgemaakte visnetten. In plaats daarvan werken regeringen, bedrijven en buitenlandse sponsors samen om de kustlijn naar hun eigen inzicht te herscheppen: de stranden als speelplaatsen voor de toeristen, de oceanen als delfplaats, te ontginnen door drijvende visfabrieken. Dit alles mede mogelijk gemaakt door geprivatiseerde vliegvelden en met geleend geld betaalde snelwegen.

In januari lokte Condoleezza Rice een kleine controverse uit toen ze de tsunami omschreef als een "prachtige gelegenheid" die "haar rente wel zal opbrengen". Velen waren geschokt door het idee dat een dergelijke enorme menselijke tragedie uitgebuit zou worden als een mogelijkheid tot winstbejag. Rice's opmerking was echter nog een understatement. Volgens een groep die zichzelf de Thailand Tsunami Survivors and Supporters noemt was de tsunami het antwoord op hun gebeden, omdat de kustgebieden letterlijk schoongeveegd werden van de kleine gemeenschappen die voorheen in de weg stonden van hun plannen voor toeristenresorts, hotels, casino's en garnalenkwekerijen. Voor hen zijn al deze kustgebieden nu onontgonnen territorium.

Het lijkt erop alsof rampspoed de nieuwe 'terra nullius' is.

Bron: The Nation, New York, 2 mei 2005, vertaling Frans Willems.