Neoliberaliteit ůf socialisme

Jos Lensink

Het taboe op het socialisme en het 'einde' van de gelijkheid

Begin 90-er jaren van de vorige eeuw - toen na de contra-revolutionaire wending in Oost-Europa en de Sovjet-Unie de 'nieuwe' wereldorde werd uitgeroepen - werd vooral, maar niet alleen, ter rechterzijde van het politieke spectrum luidkeels verkondigd dat het idee van een maakbare wereld en daarmee elk ideologisch perspectief voorbij was: in de euforie en de overwinningsroes van dat moment - met de schijnbaar abrupte ineenstorting van het bestaande socialisme - werd door de ideologen van het zegevierend kapitalisme het einde van elke ideologie en daarmee tevens het zogenaamde einde van de geschiedenis geproclameerd.

De veronderstelling van links dat de bestaande, dus kapitalistische wereld in fundamentele zin veranderbaar zou zijn, scheen thans een illusie en onhoudbaar. Het toen linkse idee dat de gevestigde wereld fundamentele verandering behoefde, leek in ieder geval volstrekt overbodig en werd niet meer als van deze tijd beschouwd. In het verlengde van deze zogenaamde ideologische geheelonthouding - waar met name sociaal-democratisch links zich in de 90-er jaren kritiekloos bij aansloot - kon door rechts openlijk - en gelet op de realiteit van paars niet zonder grond - worden volgehouden dat het verschil tussen rechts en links politiek irrelevant was geworden, dat dus voortaan niet meer van 'rechts' maar vooral niet meer van 'links' behoefde te worden gesproken.

Terwijl politiek rechts aldus het ideologisch initiatief definitief naar zich toe wilde trekken en bij gebrek aan politiek-ideologische tegenstand daar vooralsnog ook min of meer in geslaagd is, werd nauwelijks tien jaar later, aan het begin van de 21ste eeuw, door datzelfde rechts het idee van een maakbare wereld in ere hersteld: gelet op de permanente en versnelde veranderingen die aan een moderne wereld inherent zouden zijn, aldus de gedachtegang van rechts, is een geheel ander type samenleving vereist. Dit thans rechtse idee van een maakbare wereld veronderstelt onverminderd en onvoorwaardelijk een kapitalistische maatschapijvorm, maar het staat wel voor een andere verschijningswijze van deze productie- en levensvorm. Het gaat namelijk om een samenleving die volledig wordt beheerst door een vrij, ongeremd en schaamteloos kapitalisme. Dat wil zeggen: een vorm van samenleven die uitdrukkelijk en op alle niveaus onder de formatie-specifieke norm van de kapitalistische productiewijze staat en niet op enigerlei wijze door een andere, zogenaamde systeem-externe, politiek-morele norm in toom wordt gehouden. Het betreft dus niet alleen een samenleving die de kapitalistische ordening tot sociaal-economische grondslag heeft, maar ook een samenleving waarvan de gehele cultuur - dus wetenschap en kunst, onderwijs en vervoer, woningbouw en ruimtelijke ordening, opvoeding en gezondheid, politiek, moraliteit en recht - bewust en uitdrukkelijk doordrongen is van de kapitalistische productievorm en levensnorm. Kortweg, een vorm van kapitalistisch samenleven die zelfs de objectief-ideologische schijn van haar tegendeel - dat wil zeggen, de suggestie van vrijheid, democratie, vrede en welvaart, dus van een 'humane' wereld - niet meer nodig lijkt te hebben.

Op welke veronderstellingen en overwegingen nu is dit neo-liberale samenlevingsmodel gebaseerd?

Onder de druk van de vierde revolutie in de productiekrachtontwikkeling, de introductie van de informatie-communicatietechnologie, kon en moest hetkapitaal in de loop van de 80er jaren van de 20ste eeuw de overgang voltrekken van een relatief rigide en betrekkelijk immobiel naar een flexibeler en mobieler accumulatieproces. Voor de ontplooiing van het staatsmonopoliekapitaal dat zich steeds beweegt binnen de paradox van concurrentie en monopolievorming, werkten de nationale grenzen her en der maar in toenemende mate eerder belemmerend en stagnerend dan stimulerend en productie-bevorderend: het internationaal en in zoverre altijd al mondiaal georiŽnteerde kapitaal ging zich meer en meer op transnationale basis organiseren en bewoog zich in toenemende mate binnen de paradox van verregaande globalisering enerzijds en gelijktijdige regionalisering (lokalisering) anderzijds. Globalisering en regionalisering vormen als het ware de twee elkaar veronderstellende bewegingsmomenten van het thans transnationale monopoliekapitaal.

De in de loop van de 80er jaren van de vorige eeuw voltrokken overgang naar een flexibele en mobiele kapitaalaccumulatie, de vanaf toen ingezette globalisering en regionalisering, wat betekent, transnationalisering van het monopoliekapitaal, vormt weliswaar een van de meest invloedrijke, maar niet de enige factor waardoor het imperialisme in een nieuwe fase van haar ontwikkeling is gekomen. Van tenminste zo grote en wellicht doorslaggevende betekenis is immers ook dat door met name het VS-imperialisme het in dezelfde tijd gelukt is om het reŽle, toen bestaande socialisme, in het bijzonder dat van de Sovjet-Unie, definitief onderuit te halen en uit te schakelen: geholpen en ondersteund door een al jarenlang werkzame interne verzwakking en verwatering van het socialisme zowel op economisch, politiek en ideologisch niveau, wist het VS-imperialisme onder leiding van Reagan vooral door het kunstmatig opvoeren van de kernbewapening het reŽle socialisme op de knieŽn te dwingen en economisch te wurgen. Daarmee kwam niet alleen en nagenoeg een einde aan de oppositionele kracht van het existerende socialisme, maar werd ook het idee van het socialisme taboe verklaard: om het socialisme immers definitief te overwinnen, dat wil zeggen, om te voorkomen dat het socialisme ooit ergens op de wereld opnieuw de kop zou opsteken, moet elk idee dat naar socialisme verwijst, worden verzwegen, onderdrukt en zo nodig verboden.

Niet toevallig verscheen reeds in 1992 - amper drie jaar na de antisocialistische wending - van de Amerikaan Mickey Kaus het boek 'The end of equality': 'Als de voortekenen niet bedriegen, loopt het tijdperk van de gelijkheid inmiddels ten einde'. Met andere woorden: nu we aan het socialisme voorbij lijken te zijn en in een postsocialistische wereld schijnen te leven, is ook het idee van de menselijke gelijkheid obsoleet geworden. De gedachte dat alle mensen hetzelfde zijn en op elkaar gelijken - bedoeld wordt: dat allen dezelfde rechten zouden hebben en evenveel mens zouden zijn - wordt nu als een premoderne mythe afgedaan.

Zich baserend op de zogenaamde kolossale welvaartsstijging van de voorbije decennia - bedoeld wordt: de aanzienlijke toename van het bruto nationaal product (bnp) - verwijzend naar open grenzen en vrijer verkeer van kapitaal en arbeid, met een beroep op de toenemende sociaal-culturele verscheidenheid en de opbloei van heel veel verschillende levensstijlen, wordt vandaag de dag het idee gepropageerd dat iedereen verschillend en anders is. Kenmerkend voor modern is immers, zo luidt de redenering, dat mensen in hoge mate van elkaar verschillen, ja, zich zo sterk van elkaar onderscheiden dat ze in wezen gescheiden en onafhankelijk van elkaar lijken te bestaan. Niet toevallig was het Friedrich Nietzsche die al in de tweede helft van de 19de eeuw, in reactie op Marx en Kant de onvoorwaardelijke eis (categorische imperatief) als volgt formuleerde: 'wees anders dan alle anderen en leef zů, dat ge elk moment kunt wensen dat het leven eeuwig terugkeert'.

Neoliberale ideologie - dat wil zeggen: het denken van de heersende kapitalisten-klasse in een zogenaamd postsocialistische wereld - profileert zich thans inderdaad als post-humanistisch, laat, met andere woorden, in principe het humanistisch ethos los, distantieert zich daarmee van het idee van de mens als hoogste doel en norm voor zijn handelen en suggereert tenslotte - met een beroep op het gegeven dat alle mensen anders zijn - dat niet ieder mens op voorhand evenzeer mens is als ieder ander mens.

Voor dit neoliberale uitgangspunt - dat luidt: gelet op de veronderstelling dat iedereen anders is, is niet ieder mens in dezelfde mate mens - geldt per saldo dat het gelijkwaardig mens-zijn van eenieder niet meer als de maatstaf van het menselijk handelen dient en dat, zoals Bret Easton Ellis het in zijn roman American Psycho verbeeldt, de meest stuitende onmenselijkheid als 'menselijk', dat wil zeggen, als legitiem kan worden gedacht: iedereen die zich een paar krokodillenleren schoenen kan veroorloven, heeft blijkbaar het recht om een zwerver in elkaar te schoppen. Met deze denk- en levenshouding lijkt vandaag de dag het hek volledig van de dam.

In samenhang en overeenstemming met dit uitgangspunt wordt in de neoliberale visie geopteerd voor een samenleving waarvoor uitsluitend nog de wet van de jungle, dus het recht van de sterksten geldt. Sterker nog: deze samenleving, die krachtens haar kapitalistische productievorm - die vanwege haar meedogenloze uitbuiting en massale uitsluiting schrijnende armoede, ellende en vooral sociaal onrecht genereert - wordt bij uitstek ook een samenleving waarin collectieve voorzieningen zoveel mogelijk worden geprivatiseerd; waarin nagenoeg alle sociale voorzieningen (rechten) worden uitgekleed en waarin voor werklozen, armen, daklozen en zwervers geen plaats meer is, dat wil zeggen, waarin het liefst het bestaan van deze mensen wordt ontkend. Of zoals de Britse filosoof Simon Blackburn opmerkt: "Ik zie nu een toenemende tendens om armen en behoeftigen te beschouwen als sociale vervuiling. Men ergert zich aan mensen die gebruikmaken van sociale voorzieningen, men raakt geÔrriteerd door zwervers".

Dat betekent dus een 'samenleving' zonder solidariteit, zonder sociale cohesie, zonder sociale bescherming. Kortom: een samenleving waarvoor als hoogste eis geldt: 'Draag (alleen!) zorg voor je eigen leven en red je zelf'.

De noodzakelijke en mogelijke overgang naar het socialisme

Dit met name ook door de meeste media voorgestane idee van samenleven - een model dat eigenlijk het tegendeel van menselijk samenleven propageert, een model namelijk dat concurrentie boven coŲperatie, competitie boven solidariteit, rivaliteit boven samenhorigheid stelt - dit gesuggereerde beeld van de maatschappelijke levenssamenhang - waarvan de samenhang wordt gezien als een verzameling van volstrekt autonome individuen - weerspiegelt een wijze van produceren die niet de 'humaniteit van de mens', dus niet een 'menselijke maatschappij'(1), maar de 'maximalisatie van de winst' tot leidend beginsel en hoogste doel heeft. De logica van deze productiewijze is namelijk gebaseerd op een innerlijke, noodzakelijk op te heffen, maar binnen deze structuur niet ophefbare tegenspraak, te weten de door herhaalde reproductie alsmaar toenemende vermaatschappelijking van de productie enerzijds en de private toe-eigening van die productie anderzijds.

Deze private toe-eigening wordt niettemin pas mogelijk doordat zich van de ene kant een klasse van mensen vormt die over kapitaal, in het bijzonder productiemiddelen beschikt ťn dus arbeidskracht kan kopen om zich de door arbeid geproduceerde meerwaarde te kunnen toe-eigenen en doordat van de andere kant een klasse van mensen ontstaat die niet over productiemiddelen beschikt en daardoor gedwongen is haar arbeidskracht te verkopen. In feite is deze private toe-eigening dus een vorm van onteigening en zijn de maatschappelijke dragers van dit proces, de klasse van kapitalisten, de onteigenaars. Onteigenaars immers omdat de maatschappelijke productie-rijkdom, in het bijzonder de belangrijkste productiemiddelen, aan de maatschappij als geheel toebehoren.

Welnu, naarmate het maatschappelijke karakter bij de voortbrenging van productieve rijkdom sterker wordt, dat wil zeggen, zich alsmaar uitbreidt en verdiept, naar die mate neemt ook het private karakter bij de toe-eigening van deze rijkdom toe. De innerlijke tegenspraak, die, zoals gezegd, de essentie vormt van deze productiewijze, veronderstelt weliswaar steeds ook haar opheffing, maar gelet op hoe deze tegenspraak zich beweegt, te weten als tendentiŽle verscherping en toespitsing van deze tegenstelling, wordt de opheffing van deze tegenspraak en daarmee het functioneren van deze productiewijze vroeg of laat onmogelijk.

Gevolg: de tendentiŽle verscherping en toespitsing van de tegenstelling tussen vermaatschappelijking en privatisering, tussen de klasse van onteigenaars enerzijds en de feitelijk producerende klasse anderzijds, belemmert en blokkeert vroeg of laat de maatschappelijke productie en leidt hoe en wanneer dan ook tot een fundamentele crisis. Deze fundamentele systeem-crisis is dus inherent aan de logica van de kapitalistische productiewijze. Anders gezegd: het is eigen aan en wezenlijk voor de logica van dťze productiewijze dat ze, bij wijze van wetmatigheid, tot een fundamentele crisis leidt en daarmee haar specifieke wijze van produceren zťlf op het spel zet. Of en hoe in een dergelijke kritieke situatie deze productiewijze wordt opgeheven en al of niet plaatsmaakt voor een andere, hogere en beter georganiseerde, kortom, voor een socialistische productiewijze, is met name afhankelijk van de mate waarin de werkende klasse, door jarenlange strijdervaringen bewust geworden van haar positie en rol, zich politiek-ideologisch georganiseerd heeft.

De opheffing van de kapitalistische productiewijze is derhalve důůr en mťt deze productiewijze zelf geÔmpliceerd en behelst a) het tenietdoen van de private toe-eigeningsvorm ofwel de onteigening van de kapitalistische onteigenaars, b) het bewaren en meenemen van de maatschappelijke productieve rijkdom, en c) politiek en juridisch te garanderen dat de maatschappelijke rijkdom aan de maatschappij als geheel toekomt, dat wil zeggen, totaal-maatschappelijk eigendom is en blijft. Eerst door deze opheffing kan het produceren omwille van de winst worden getransformeerd tot het produceren omwille van de mens, omwille van zijn behoeften en zijn ontwikkeling. Kortom: de opheffing van de kapitalistische tot een socialistische productiewijze - op basis waarvan een socialistische maatschappijvorm mogelijk wordt - ligt dus in de logica van de kapitalistische productievorm zelf besloten en is in zoverre historisch noodzakelijk, een logisch-historische wetmatigheid. De primaire eis voor een socialistische productiewijze - te weten: de onteigening van de onteigenaars - verleent uitdrukking aan een wetmatige ontwikkeling waaraan de negatie van de negatie als haar meest algemene principe ten grondslag ligt.

Niettemin is deze opheffing in progressieve richting geenszins vanzelfsprekend, geen automatisme en allerminst gegarandeerd. Want tegelijkertijd geldt evenzeer dat de vraag ůf deze wetmatige ontwikkeling aldus tot gelding, als het ware tot haar recht komt, afhankelijk is van vele voorwaarden, zowel objectieve als subjectieve; met name afhankelijk van de mate waarin de werkende klasse in toenemende mate politiek bewust wordt en zich op basis van haar gemeenschappelijk belang maatschappelijk georganiseerd heeft. In zoverre is het socialisme behalve historisch noodzakelijk evenzeer historisch mogelijk, een logisch-historische mogelijkheid. Wat niet alleen inhoudt dat het socialisme vooralsnog niet meer is dan een reŽlemogelijkheid, maar ook dat er een mogelijk alternatief bestaat. Echter: omdat van dit alternatief tenminste kan worden gezegd dat het voor de mensheid geen levensvatbare toekomst bevat, is het socialisme, dus de verwerkelijking van het communisme, praktisch gesproken het enige 'alternatief'.

Slotopmerkingen

In het licht van dit reŽel noodzakelijke en tegelijk reŽel mogelijke karakter van het socialisme kunnen we ondanks de kapitalistische globalisering en niettegenstaande het grotendeels verloren gaan van het reŽel-bestaande socialisme, met recht en reden staande houden dat we ons nog steeds, wereldhistorisch gezien, in de overgang van kapitalisme naar socialisme bewegen. Want of we het nu willen of niet, we maken deel uit van een reŽle beweging in de richting van een hoger georganiseerde wijze van produceren, dat wil zeggen:

Het ligt voor de hand dat een partij die dit antikapitalistisch en socialistisch perspectief uitdraagt en bevecht, in de gegeven politieke situatie antikapitalistische eisen stelt en anticipeert op een socialistische maatschappelijke constellatie; derhalve pleit en strijdt voor de objectieve en meer dan gerechtvaardigde belangen van de loon- en uitkeringsafhankelijke bevolking, dat betekent in concreto voor:

Kortom: geen liberalisering maar socialisering; geen privatisering maar collectivisering!

(1) Cicero situeert de 'homo humanus' ofwel de 'humanitas hominis' reeds in de 'societas humana'.