download

Marxisme in soorten en maten

i-006-012.jpg
Een geschilderd portret van Marx door het project Abode of Chaos. (Foto: Thierry Ehrman/Flickr/cc/by)

Ziltan Zigedy

Google is op de hoogte van mijn aanhoudende interesse in het marxisme. Daarom word ik geregeld bestookt met links naar populaire en zogenaamd invloedrijke artikelen. Bovenaan de lijst staan steevast stukken van of over de alomtegenwoordige Slavoj Zizek. Zizek beheerst het metier van publieke intellectueel tot in de puntjes: hij kan naar believen vermakelijk zijn, bombastisch, aanstootgevend, expres duister en generiek.

Met zijn haveloze voorkomen en ruige baard voldoet hij aan het stereotype van de Midden-Europese geleerde wiens ideeën schuilgaan onder een dikke laag quasi-diepzinnige prietpraat. En de consument, die smult ervan. Zijn fans posten zelfs video's van Zizek met in elke hand een hotdog, en kaartjes voor zijn openbare debatten met ultrarechtse kopstukken gaan voor veel geld over de toonbank. Dat noemt men marxistisch ondernemerschap.

Het geval Zizek is slechts een voorbeeld van een groter fenomeen: overwegend Europese academici die aan de weg timmeren met marxistisch gedachtegoed. Denk aan Sartre en het existentialisme; structuralisme en poststructuralisme; post-essentialisme en post-fordisme; denk identiteitspolitiek: evenzovele toeëigeningen van stukjes en beetjes uit de marxistische traditie, waarbij de betreffende academici angstvallig afstand houden van daadwerkelijk marxistische bewegingen. Marxisme omwille van volle zalen; marxisme zonder vuile handen.

Opvallend aan deze salonfähige, intellectuele vorm van marxisme is, dat er altijd sprake is van een of ander voorbehoud: het is nooit zomaar marxisme. Het is vroege Marx, humanistische Marx, Marx via Hegel; het is Marx van de Grundrisse, Marx-zonder-Engels, Marx-zonder-arbeidersklasse, Marx vóór het bolsjewisme, Marx vóór het communisme: noem maar op. Alsof iedere nieuwe Marx-fluisteraar zich van zijn voorgangers onderscheiden moet, het marxisme herontdekken, opnieuw uitvinden of in rechte banen leiden.

Zo hebben meerdere generaties goedbedoelde, maar door hun klasse-achtergrond verblinde, universiteitsstudenten zich door zogenaamd radicale denkers een rad voor ogen laten draaien en hun boekenkasten gevuld met het werk van Marcuse, Althusser, Lacan, Deleuze, Laclau, Mouffe, Foucault, Derrida, Negri en Hardt: boeken met exotische, uitdagende titels en ogenschijnlijk veelbelovend, maar bij nader inzien ontoegankelijke proza. En nu dient zich een nieuwe generatie radicaal ingestelde jongeren aan, op zoek naar een alternatief voor het kapitalisme en onvermijdelijk aangetrokken tot de richting van Marx. En wat krijgen zij voorgeschoteld?

Samuel Moyn, die aan de universiteit van Yale de Henry R. Luce-leerstoel in de jurisprudentie bezet, is auteur van een handboek met de titel How to be a Marxist (klik). Dat is nogal ironisch, want Henry R. Luce, uit wiens nalatenschap Moyns leerstoel wordt gefinancierd, verdiende zijn brood als een van de meest anticommunistische uitgevers van Amerika; en Moyn zelf is ook niet de eerste persoon waar je aan denkt, als je om een praktische inleiding in het marxisme verlegen zit. De autoriteiten waar Moyn zich op beroept zijn Moishe Postone en Erik Olin Wright: met Perry Anderson de laatste vertegenwoordigers, zegt Moyn, van "een generatie intellectuelen die op basis van hun ervaringen in de jaren '60 het marxisme nieuw leven inbliezen".

Moishe Postone een marxist? In een interview op YouTube (klik) ontkent professor Postone uitdrukkelijk en zonder voorbehoud dat hij een marxist is. Vervolgens schrijft hij datgene wat gemeenlijk doorgaat voor marxisme toe aan Friedrich Engels; en Engels was volgens Postone "really a good guy maar begreep niets van Marx." Want Marx had (nog steeds volgens Postone) helemaal niets met de arbeidersklasse. Juist. Moyns andere boegbeeld, Erik Olin Wright, was lange tijd een vooraanstaand lid van een stroming die zich als 'analytisch marxisme' wenste te benoemen. Deze stroming streefde er naar om het marxisme op een 'legitieme basis' te vestigen, dat wil zeggen: het marxisme in te passen in het strakke kader van de destijds gangbare sociale wetenschappen - met als uitgangspunt dat de sociale wetenschappen altijd gelijk hadden en niets van het marxisme konden leren. Maar goed: Wright probeerde in ieder geval nog het begrip 'klasse' te behouden.

Als linkse mensen, volgens Moyn, doodlopende wegen wil vermijden, dan moeten ze eens te rade gaan bij Martin Hägglund, wiens recente boek, 'This Life: Secular Faith and Spiritual Freedom', hij aanprijst als een "ideaal uitgangspunt voor iedereen die de theorie van het socialisme nieuw leven in wil blazen, al dan niet geïnspireerd door Marx". Maar helaas: het voetspoor van Martin Hägglund en zijn adept leidt regelrecht naar doodlopende wegen waar al vele generaties zich op stuk liepen: het existentialisme, Hegel en de door het Christendom geïnspireerde zoektocht naar de "betekenis van het leven". In plaats van Marx' diepgravende analyse van sociale verandering en rechtvaardigheid stellen Moyn en Hägglund, in het kielzog van Postone, vragen als: 'Wat voor werk moet ik doen?' en 'Hoe moet ik mijn eindige tijd van leven besteden?'. Het alternatief voor het vergaren van kapitaal is, volgens hen, "het maximaliseren van ieders vrij te besteden tijd". Voor deze variant van het marxisme is het doel dus niet de emancipatie van de arbeidersklasse maar het veroveren van vrije tijd op arbeid: een doel dat inderdaad een stuk bereikbaarder is voor goedbetaalde academici dan voor daadwerkelijke arbeiders.

Maar Hägglunds grootste verworvenheid, zegt Moyn, is zijn stelling dat marxisten gerust afstand kunnen doen van het communisme, waar Marx hooguit vage gedachten over had, en zich tevreden kunnen stellen met democratie - een notie waar Marx en zijn meer traditionele volgelingen al helemaal weinig over te zeggen hadden: oftewel, je kunt prima marxist worden zonder je veel aan Marx gelegen te laten liggen.

Het achterliggende probleem is natuurlijk dat het marxisme, zo blijkt alleen al uit de censuur en de uitzettingen waar Marx zelf mee te maken kreeg, een gevaarlijk idee is. Marx heeft zelf nooit een academische positie kunnen verwerven en werd voortdurend in de gaten gehouden en lastig gevallen door verschillende overheden, en datzelfde geldt voor vrijwel alle werkelijk marxistische intellectuelen na hem. Als je streeft naar de afschaffing van het kapitalisme, dan zal het kapitalisme je daar niet voor belonen met academisch aanzien. En omgekeerd: zogenaamde marxisten die het goed doen op de universiteiten, in de boekwinkels en in de media vormen zelden een werkelijke bedreiging voor het kapitalistisch systeem. Echte marxisten met wortels in de arbeidersklasse en in de anti-kapitalistische bewegingen schitteren in het universitaire discours dikwijls door hun afwezigheid, laat staan dat voorstanders van een echte revolutie universiteitsbanen aangeboden krijgen.

Neem de marxistische historicus Herbert Aptheker, de belangrijkste criticus van de sentimentele idealisering van het leven in de zuidelijke staten van Amerika: slechts met een beroep op de vrijheid van meningsuiting kon hij als spreker terecht op Amerikaanse universiteiten, en zijn boeken worden nog steeds maar mondjesmaat gelezen. Of neem Philip Foner, auteur van een10-delige geschiedenis van de Amerikaanse arbeidersbeweging en een vijfdelige studie van het leven en werk van de zwarte activist Frederick Douglass: pas aan het eind van zijn carrière durfde Lincoln University, vanouds een zwart instituut, hem een aanstelling te geven; maar zijn boeken worden nog steeds veel te weinig gelezen. Talloze bijdragen van marxistische intellectuelen in tijdschriften als Science & Society, Political Affairs, Masses, Masses & Mainstream en Freedomways liggen stof te vergaren in bibliotheekdepots, omdat ze dankzij het vigerende anticommunisme en academische schroomvalligheid in een kwaad daglicht zijn komen te staan.

Hetzelfde geldt voor uit de arbeidersklasse stammende marxistische activisten als William Z. Foster, Len DeCaux en Wyndham Mortimer: hun bijdragen over de organisatie en strategie van de arbeidersbeweging en over de politieke economie worden zelden aangehaald, maar des te dankbaarder geplunderd door anderen. Ook marxistische voorvechters van zwarten- en vrouwenrechten zoals Benjamin Davis, William Patterson en Claudia Jones zul je, ten onrechte, niet tegenkomen in publicaties als Moyns 'How to be a Marxist' - om niet te spreken van Victor Perlo en zijn ideeën over het verband tussen het grootkapitaal en economisch racisme of van Paul Sweezy, mede-oprichter van het marxistisch georiënteerde politiek-economische tijdschrift Monthly Review.

Wat hebben de zojuist genoemde personen gemeen, behalve dat zij allemaal de minachting genieten van liberale intellectuelen? Juist: een levenslange actieve betrokkenheid bij de Amerikaanse communistische partij. Vandaag de dag zijn het auteurs als Michael Parenti en Gerald Horne die ondanks - of juist dankzij - hun gedegen marxistische interpretaties van de hedendaagse geschiedenis geen voet aan de grond kunnen krijgen bij de universiteiten en slechts in de meest marginale linkse media kunnen publiceren.

Echt marxisme is wars van compromissen en stuurt altijd aan op actie. Het richt zich op de ins en outs van het kapitalistisch systeem en neemt geen blad voor de mond. Het neemt geen genoegen met conventioneel denken en laat zich niets gelegen liggen aan het liberalisme dat op de universiteiten hoogtij viert. Echt marxisme biedt dan ook weinig carrière-perspectief, want echte marxisten zijn haast per definitie doelwit van argwaan en vijandigheden. Anders dan de pseudo-marxisten die wél ingang vinden bij de universiteiten en de mainstream-media zweren echte marxisten bij Marx' elfde 'Stelling over Feuerbach': filosofen duiden de wereld maar waar het om gaat is, de wereld te veranderen.

Vertaling Christiaan Caspers.