DNV, 'sociaal partnerschap' en een strijdbare vakbeweging

De invloed van de sociaaldemocratie op de Nederlandse vakbeweging

fnvvlaggen.jpg
Het vlaggen-vertoon, dat jarenlang het gezicht was van werkend Nederland dat voor zijn belangen opkomt, zal met een nieuwe kleur en een nieuw logo niet plots haar klassenkarakter verliezen, hoeveel reformistische kwartiermakers er ook tegenaan gegooid worden (Foto: petervisser4u/Flickr/cc/by).

Wil van der Klift

Het vakbondsdebat in Nederland spitst zich op dit moment toe op twee kernkwesties die praktisch met elkaar samenhangen. Het debat over de toekomst van de pensioenen en het debat over de toekomst van de vakbeweging. Beide debatten hangen samen met de voortdurende economische crisis en de toenemende noodzaak om het inmiddels traditioneel Nederlands poldermodel los te laten en een strijdbaarder vakbeweging vorm te geven. Er vinden binnen, maar vooral buiten de vakbeweging, echter pogingen plaats om het polderen meer dan ooit als basis van de ontwikkelingen te nemen.

In Nederland bestaat een zeer langdurige institutionele samenwerking tussen 'Kapitaal' en 'Arbeid'. De basis werd al ver voor de Tweede Wereldoorlog gelegd, maar kreeg direct daarna nieuwe handen en voeten. De noodzakelijke heropbouw van het land en de toenmalige mondiale krachtsverhoudingen maakten dat tot eind zeventiger jaren, ondanks de relatieve klassenvrede die er heerste middels klassenstrijd, toch (soms aanzienlijke) successen konden worden geboekt. Vanaf begin tachtiger jaren veranderde de situatie drastisch.

Als ijkmoment wordt vaak genomen het Akkoord van Wassenaar, toen de nieuwe vorm van klassenvrede en 'sociaal partnerschap' zijn intrede deed: het Nederlands Poldermodel. Het modern polderen kreeg toen vorm. Ondanks allerlei vormen van strijd, meestal strikt sectoraal en nooit politiek of algemeen, kabbelde vanaf begin jaren tachtig het 'sociaal partnerschap' door. De arbeidersklasse leverde geleidelijk maar gestaag delen van haar verworven rechten in.

Niet toevallig valt het begin van die periode samen met de teloorgang van de CPN. De opbouw van de Nieuwe Communistische Partij (NCPN) vond plaats in een periode van relatieve klassenvrede in Nederland en verval van de kracht van de communistische wereldbeweging op mondiale schaal. Een periode van acceptatie van het 'Kapitaal' brak aan en er was weinig behoefte aan verandering en zeker weinig behoefte aan het zoeken naar socialistiche oplossingen.

Binnen de vakbeweging leidde dit tot de ontwikkeling van een aanzienlijke hoeveelheid van reformistische, behoudende bestuurders en kaderleden die bereid waren de nadruk te leggen op collectieve (deel-)belangenbehartiging, maar toch vooral op individuele belangenbehartiging. Het begrip sociale ANWB dekt deze lading. Uiteraard waren er gedurende die periode ook tal van strijdbare bestuurders en kaderleden. De strijdbare brede (politieke) vakbeweging kwam echter structureel steeds meer onder druk te staan.

De verzorgingsstaat werd systematisch afgebroken, vaak onder directe politieke leiding van de sociaaldemocratie, vaak ook met haar gedoogsteun. Een bizar voorbeeld van de hervormingsgezindheid van de sociaaldemocratie was Wim Kok. Onder zijn leiding werd een draai gemaakt naar de neoliberale afbraakpolitiek van Thatcher en Reagan, met als excuus dat een sociaaldemocratische Derde Weg de allerscherpste kantjes van dat beleid zou weghalen. "Die conflicten in de haven en de mars naar het Afrikaanderplein (in 1979) zijn, voor zover ik (Henne Pauli) dat heb kunnen waarnemen, een keerpunt geworden voor de vakbeweging. Nooit kwam die vraag zo klemmend op ons af of wij een vakbeweging zijn voor de klassenstrijd of dat wij onze verantwoordelijkheid moeten nemen voor het oplossen van de crisis. Wim en ik voelden dat onze taak lag bij het laatste" (Uit: Wim Kok 15 jaar vakbeweging, blz. 92)

De FNV draaide in die richting mee onder de sociaaldemocraten Kok, De Waal en Jongerius (en anderen aan de toppen van de vakbonden, zoals bijvoorbeeld Den Uyl in de Abvakabo FNV). Van De Waal is bekend dat hij van mening was: "Het is raar voor een vakbondsbestuurder om te zeggen, maar een organisatiegraad van bijvoorbeeld 60 procent zou niet goed zijn. Een zekere mate van onmacht hoort erbij" (FD, 30-01-1998). Zij namen allemaal genoegen met een onsje praktisch succes zonder de vakbeweging om te vormen tot een strijdbaar wapen van de arbeidersklasse. Polderen staat in de praktijk gelijk aan sociaaldemocratisch gerommel in de marge onder het mom beter iets dan niets, want strijd levert niets op. Ook hier geldt uiteraard dat er ook andere sociaaldemocraten zijn, maar die haalden meestal de eindstreep naar de top niet. Het selectiemechanisme was en is meedogenloos.

Sinds 2008-2009 staat het kapitalistisch systeem in toenemende mate ter discussie. Aan de basis van de vakbeweging worden heilige conservatieve huisjes losgelaten, maar dat gaat niet snel en ook niet zonder schokken. De krachten die opkomen voor een gepolitiseerde strijdbare vakbeweging botsen op dit moment overal en op grote schaal met de ingegraven behoudende krachten.

Overigens lijkt dit proces als twee druppels water op wat er politiek gaande is in de sociaaldemocratie. Bovendien kent het proces van herwaardering van het kapitalisme ook tal van milde vormen die het kapitalisme zelf niet ter discussie stellen. Een zeer groot deel van progressief en links Nederland is van mening dat met het loslaten van het neoliberale vrije-markt-beleid de problemen zullen zijn opgelost. Niet het kapitalisme staat ter discussie maar de uitwassen ervan (bijv. casinokapitalisme). Niet het systeem staat ter discussie maar sommige bazen die zich buitenproportioneel zouden verrijken. Het vraagstuk wordt teruggebracht tot morele kwesties die kunnen worden opgelost. Het kapitalisme zou herstelbaar en verbeterbaar zijn.

Uiteraard zijn al die meningen ook terug te vinden in het debat binnen de vakbeweging. De heroriƫntatie van de vakbeweging op een strijdbaardere positie gaat gepaard met grote onderlinge verschillen van mening. Door het reformistische karakter van de oplossingsvoorstellen kunnen een groot aantal maatschappelijke vraagstukken ook niet goed worden benaderd (zoals het vraagstuk van de generaties en het vraagstuk van toenemende flexibele arbeid, bijv. in de vorm van ZZP-ers). Ook bestaan er aanzienlijke verschillen van mening over de wijze waarop de strijdbaarheid moet worden vormgegeven (onder meer het 'organizing'-debat).

De organisatiegraad in Nederland is relatief laag en neemt al enige jaren af. De vakbonden telden in 2010 1,87 miljoen leden, een daling t.o.v. 1995 met 100.000 leden. De organisatiegraad van werknemers tussen de 15 en 64 jaar daalde gedurende die periode van 28 naar 22 procent.

Nederland kent al decennialang drie vakcentrales (FNV - Federatie Nederlandse Vakbeweging - met 19 aangesloten bonden en samen 1.400.000 leden, CNV - Christelijk Nationaal Vakverbond - met 11 aangesloten bonden - 7 markt/4 overheid - en 335.000 leden en de MHP - Vakcentrale voor Middengroepen en Hoger Personeel met vier aangesloten bonden en samen 160.000 leden), waardoor in de praktijk vaak niet met een vuist kan worden opgetreden; alhoewel dat aan de basis als er actie wordt gevoerd meestal wel het geval is. Het streven naar een ongedeelde vakbeweging bestaat in Nederland allang en steekt op dit moment weer met kracht de kop op.

Het is overigens duidelijk dat de FNV er opvallend uitspringt qua ledenaantal. Alleen al de overheidsbond Abvakabo FNV heeft meer leden (353.000) dan alle CNV-bonden bij elkaar.

FNV Bondgenoten is de grootste aangesloten bond met 476.000 leden. FNV Bondgenoten, Abvakabo FNV en FNV Bouw (124.000 leden) hebben samen 953.000 van de 1.400.000 leden. De rest is verdeeld over de andere 16 bonden. Over de stemverhouding in de Federatieraad vindt de nodige discussie plaats sinds het Pensioenakkoord. De kleine bonden hebben een relatief grote invloed op de besluitvorming. Omdat FNV Bouw niet, zoals Abvakabo FNV en FNV Bondgenoten tegen het Pensioenakkoord stemde is er eigenlijk al enige tijd sprake van een patstelling in dat dossier, maar ook over het vraagstuk van de vorming van DNV (De Nieuwe Vakbeweging).

Op 3 december 2011 besloten de voorzitters van de FNV-bonden tijdens een vergadering in Dalfsen unaniem tot de oprichting van een nieuwe vakbond met de voorlopige naam De Nieuwe Vakbeweging, waarbij naast de bestaande FNV-bonden ook bonden die nog niet bij de FNV zijn aangesloten zich kunnen aansluiten. De route die is uitgezet zou al voor de zomer van 2012 kunnen leiden tot die nieuwe bond. Maar of dat lukt is geheel afhankelijk van de vraag of de FNV-leden met dit plan zullen instemmen.

Eerder was er al sprake van een poging tot fusie van FNV Bouw, FNV Bondgenoten en Abvakabo FNV. Dit proces wordt ook voortgezet. Het lijkt erop dat de poging om te komen tot DNV een sociaaldemocratisch antwoord is - onder dagelijkse leiding van PvdA-er Jetta Klijnsma (zonder enige vakbondservaring en niet bepaald bekend als arbeidersvriendelijk) - op de fusiekoers van de drie grote FNV-bonden. Als deze fusie slaagt is er een sterke vakbeweging die bovendien bestaat uit bonden die een strijdbaarder koers willen varen. Er zou een sterke onderhandelaar ontstaan, een gruwel voor de polderaars, de ondernemers en werkgevers.

Op dit moment wordt in alle bonden het discussieproces op gang gebracht. Er bestaat zeer grote kritiek op de plannen die een veel te grote eenzijdige nadruk leggen op het feit dat er te weinig jongeren en kleine zelfstandigen zonder personeel (ZZP-ers) zouden zijn georganiseerd aan de ene kant en aan de andere kant de successen van de sectorale aanpak (schoonmakers/organizing) overdrijven. De eerste ontwikkelingen zullen als resultaat hebben een brede krachteloze vakbeweging die de reformistische tendens binnen de vakbeweging nog verder zullen versterken. De tweede lijn versterkt weliswaar de strijdbaarheid, maar kan ook makkelijk leiden tot versnippering en fragmentering. De strijdbaarheid van de organizers wordt op dit moment door sommige bestuurders, zoals Henk van der Kolk, ook zo ingezet. Wel strijdbaar, maar alleen sectoraal. Geen gezamenlijke vuist, maar honderden vuistjes.

Het is niet voor niets dat in heersende kringen een sterk pleidooi hoorbaar is voor DNV. Aan werkgeverszijde is meer dan ooit behoefte aan een meepolderende vakbeweging. Dus wel een gesprekspartner, maar geen sterke ongedeelde vakbeweging. Dunne soep met hier en daar een balletje, geen krachtige vuist. Dat de vakbeweging het proces om te komen tot DNV heeft uitbesteed aan een groep zogenaamde Kwartiermakers van buiten de vakbeweging zegt al genoeg. Dat het proces in Dalfsen startte onder leiding van de PvdA-senator Han Noten en de CDA-politicus Hans Wijffels zou ieder rechtgeaard vakbondslid aan het denken moeten zetten. De start van dit proces wortelt in het reformistisch 'sociaal partnerschap' en is het resultaat van het decennialange polderen. Maar vooral een poging, nu de strijdbaarheid in de bonden toeneemt en er pogingen plaatsvinden om tot een sterke krachtige bond te komen, het polderen overeind te houden.

De komende maanden zal vooral strijd moeten worden geleverd om deze 'afbraak'plannen, verpakt in modieuze kreten over een noodzakelijke vernieuwing, tegen te houden. Die strijd zal moeten worden verbonden met de strijd tegen de verdere afbraak van het pensioenstelsel. Het Pensioenakkoord moet van tafel.

De facto moet er alles op alles worden gezet om de fusie van FNV Bouw, FNV Bondgenoten en Abvakabo FNV te laten slagen. Zo'n fusie leidt tot een gezonde en sterke basis om de vakbeweging in Nederland te versterken en antwoorden te vinden op uitdagingen die de huidige maatschappelijke ontwikkelingen stellen.