Terug naar een strijdbare vakbeweging

Ineke Meijer. (Foto Manifest)

Wilco Mulhuijzen en Wil van der Klift (*)

Ineke Meijer is 60 jaar en lid van de NCPN. In het dagelijkse leven is zij regiobestuurder metaal voor FNV-Bondgenoten. In die functie behartigt zij de belangen van werkers in kleine metaalbedrijven (bijv. elektriciens en fietsenmakers etc.) en de grote metaalelektrobedrijven. Manifest sprak met haar op het kantoor van de NCPN in Amsterdam.

Je bent lid van de NCPN. Jouw man is lid van de PvdA. Geeft dit geen spanningen thuis? Of op je werk, waar het ook niet vanzelfsprekend is om openlijk communist te zijn?
IM
Die spanningen zijn er niet. Mijn man is in de PvdA gebleven omdat het zijn partij is ondanks dat hij het op veel momenten niet eens is met de koers. Op mijn werk heb ik ook nooit problemen gehad.

De PvdA presenteert zich als de partij voor iedereen. Dat kan natuurlijk niet. De rijken redden zich wel, maar ze laten juist de armen in de kou staan zoals nu bij de AOW. Maar je bereikt met een grote partij meer. Ik vind echter dat het niet altijd gaat om wat we bereiken maar om wat we willen. Dat is de reden dat ik uit de PvdA ben gegaan en via de SP bij de NCPN ben gekomen.

Heb je de zeperd van de bonds- en federatieraad over de koers m.b.t. de AOW-acties al verwerkt?
IM
Het is voor mij een beetje dubbel. Dat gevoel heb ik al sinds Agnes Jongerius met het alternatievenplan kwam. Je ziet ook twijfel bij kaderleden. De opkomst bij de demonstraties was daarom ook mager. Die demonstraties werden gezien als eindpunt terwijl ze het begin van langdurige acties hadden moeten zijn. Je merkt ook dat de mensen de propaganda van Balkenende en co over de onbetaalbaarheid van de AOW overnemen.
Wat kom je als vakbondsbestuurder tegen aan strijdbaarheid?
IM
Ik ben zesentwintig jaar geleden begonnen bij de vakbond. De solidariteit was toen vanzelfsprekend, die is nu grotendeels weg. Er was meer strijdbaarheid en idealisme. Daar gingen de mensen voor. Tegenwoordig zijn de mensen in situaties gebracht waardoor zij banger zijn voor bijvoorbeeld ontslag omdat ze een hoge hypotheek hebben.
Is dat geen maatschappelijk verschijnsel?
IM
De maatschappij is ingewikkelder geworden, ook het sociale stelsel. Er is sprake van een voortdurende afbraak van het sociale stelsel. De mensen raken het overzicht kwijt, waardoor het gevoel van betrokkenheid ook afneemt. De keus is dan apathie of Wilders.

De interesse voor de politiek neemt af omdat de politici niet menen wat ze zeggen en beloven. Daar speelt Wilders handig op in. De desinteresse binnen de vakbonden zie je binnen de vakbeweging toenemen. Communisten worden daar node gemist.

Jij zegt dat jij vooral voor de zwakkeren in de samenleving wilt opkomen. Hoe doe je dat in de praktijk?
IM
Ik kom natuurlijk in eerste instantie voor mijn leden op. Ik kom veel mensen tegen die krap zitten. Het is interessant omdat ik aan tafel zit met kleine en heel grote ondernemers. Soms heb ik zelfs medelijden met een kleine ondernemer. Als hij een goede inborst heeft en hij alles geeft voor zijn bedrijf en zijn mensen wil ik hem zelfs helpen.
Ben jij voor de brede (maatschappelijke) vakbeweging?
IM
Jazeker. Alleen kunnen wij dat nauwelijks aan omdat we worden bedolven onder het werk. Er is gewoon te weinig tijd om dieper op maatschappelijke kwesties in te gaan.
Kun jij dan wel goed vakbondswerk leveren?
IM
Je hebt je maatschappelijke betrokkenheid wel nodig. Maar echte discussies met je collega's komen te weinig voor. Vroeger waren die er wel en dat verbroederde. Onder andere door de fusies van de vakbonden is dat allemaal verloren gegaan. De vereniging is uitgehold. De bond werd jouw zaakwaarnemer, persoonlijke dienstverlening was het speerpunt. Het verzet hiertegen groeit wel.
Hoe zie jij de toekomst van de vakbeweging?
IM
Toen de fusie tot FNV-Bondgenoten tot stand was gekomen zag je al snel dat de verenigingsdemocratie werd uitgehold. De afdelingslijn werd losgelaten ten faveure van de bedrijvenlijn. Juist in de afdelingen vonden de maatschappelijke discussies plaats. Op het bondscongres van 2000 hebben we het niet gered om het tij te keren. Kort daarna kwamen daar ook nog de financiŽle problemen van Bondgenoten overheen. De vereniging en de werkorganisatie zijn volledig gescheiden. Dat was toen ik begon te werken bij de bond toch meer ťťn geheel.

Er is geen samenwerking tussen de bonden op ons regiokantoor. Er is bij ons wel collegiaal overleg. Dan komen de collega's van alle bonden in het kantoor samen. Dat is de bedoeling tenminste, maar sommige bonden zijn niet of nauwelijks vertegenwoordigd. Het is bovendien een overleg dat vooral op de actie is gericht, dus soms vindt het niet plaats. Er is geen continuÔteit.

Wil de vakbeweging echt nog een toekomst hebben dan zal het weer een maatschappelijk betrokken vakbeweging moeten zijn waar de negatieve punten die ik hiervoor noemde weer worden teruggedraaid.

De vraag of de vakbeweging de druk van buitenaf weet te weerstaan beangstigt mij wel. Je hebt steeds het geneuzel van de representativiteit dat zo langzamerhand mijn keel uitkomt. Zijn wij niet veel groter dan het VNO-NCW? De politieke partijen hebben zo'n driehonderdduizend leden, de gehele vakbeweging zo'n twee miljoen. Dus wie is er nu werkelijk representatief? We zijn daarin veel te defensief.

Hoe krijgen we meer jongeren de vakbond in en hoe zie jij de rol van de organizers?
IM
Het werk van de organizers deden wij al in mijn tijd bij de Voedingsbond. Het heette toen nog niet zo. Je bent gewoon praktisch bezig naar de potentiŽle leden toe.

Mijn kaderleden zijn over het algemeen ook ouder. Het is moeilijk om jongeren erbij te betrekken. Er zijn heel wat drempels. Er is toch wel enigszinssprake van een generatiekloof. De jongeren zijn gewoon te werken met nieuwe media (internet, hyves, twitter etc.). Ze hebben ook andere leefomstandigheden dan wij vroeger. Ik ben nu bezig met een kaderscholing maar het is moeilijk om daar jongeren voor te vinden.

Uiteindelijk hebben jongeren echter ook baat bij een sterke vakbeweging. De bonden moeten daarom veel duidelijker het belang van vakbondslidmaatschap voor jongeren aantonen en niet meegaan met de verhalen over de verdwijnende vakbeweging. Juist jongeren hebben de vakbeweging meer dan ooit nodig.

(*) Uitwerking interview Wilco Mulhuijzen.