Gedicht



Henricus Azewijn

Zum kotzen

De burger is voortdurend in rouw
op zoek naar warmte, naar genegenheid
bevriezend van de 'zoals-'t-hoort-kou'
in de hitte van zijn overlevingsstrijd.

Hij overleeft geen duizend doden
hij telt er nog geen tien in zijn haast
op weg naar wat hem wordt geboden
terwijl een gebod hem steeds weer verbaast.

Op zijn knieƫn voor het paradijs
dat hem toch ooit zal moeten behagen
zakt hij niet zoekend door het ijs
komt het zonlicht met ongevraagde vragen.

Zo schrijft de burger zichzelf af
in zijn verwoede pogingen te overleven
komt hij steeds te laat, gevangen in koren en kaf
om zichzelf, zoals 't hoort, over te geven.