o De politieke theorie en analyse van de maatschappelijke klassenverhoudingen en klassenstrijd.
In de 20e eeuw is het met name Lenin geweest die - uitgaande van de bijzondere ontwikkeling van het kapitalisme in het begin van deze eeuw en met verwerking van de in de praktische klassenstrijd van die tijd opgedane politieke ervaringen - in belangrijke mate aan de theoretische uitbouw van elk van deze bestanddelen heeft bijgedragen.
[Zoals onder meer: een uitvoerige analyse van het zich tot monopolistische centra ontwikkelende kapitalisme en het op die ontwikkeling gebaseerde imperialistische streven tot economische en politieke wereldheerschappij [4]; een theoretische uitwerking van de economische rol en de betekenis van de moderne burgerlijke staat onder een hoogontwikkelde, in grote mate op financierskapitaal berustende, kapitalistische productiewijze; het op een theoretische analyse gebaseerd praktisch ontwerp voor de opbouw van de eerste socialistische staat in de wereld; een theoretische verrijking van de dialectiek van het objectieve en het subjectieve in het wereldhistorisch proces [5]; de theoretische ontwikkeling van het partijbegrip waarin het belang, de rol, de positie en de organisatievorm van de partij als partij van de arbeidersklasse wordt aangegeven en uitgewerkt [6] ].
De drie bestanddelen van het wetenschappelijk socialisme vormen een onderling maar vooral door de materialistische dialectiek verbonden en samenhangend theoretisch geheel: het dialectisch en historisch materialisme (het filosofisch bestanddeel) vormt dus het expliciete deel, dat het wetenschappelijk socialisme tot een geïntegreerd geheel maakt.
Gelet op de opbouw en samenstelling van dit theoretisch geheel bevat het wetenschappelijk socialisme de volgende beginselen en politiek-theoretische uitgangspunten:
Beginselen:
- Dat wat de wereld wereld doet zijn en op grond waarvan zich ook de wereld van de mens heeft gevormd, moet in beginsel worden begrepen vanuit de eeuwigblijvende, zich bewegende, zich veranderende en zich ontwikkelende materie.
- Voor de verwerkelijking van de mens, en dat wil ook zeggen: voor de realisering van zijn individuele levensmogelijkheden, is de mens afhankelijk van de wijze waarop hij/zij [7] als maatschappelijk-historisch wezen zijn bestaan (re)produceert en van de mate waarin hij zijn bestaan tot ontwikkeling kan brengen: de mens is immers van nature een maatschappelijk zichzelf historisch te ontwikkelen wezen.
- De levensmogelijkheden van de mens en de kwaliteit van zijn bestaan worden primair bepaald door de manier waarop hij zijn bestaan reproduceert, dat wil zeggen, door de wijze waarop hij zijn materiële leven (bestaansmiddelen) voortbrengt: de maatschappelijke organisatie van de arbeid is hier weliswaar niet de enige, maar wèl de uiteindelijk bepalende instantie.
- De noodzakelijk maatschappelijke wijze waarop de mens zijn materiële bestaan produceert, wordt (afhankelijk overigens van de kwantiteit en kwaliteit van produktie-middelen) per saldo bepaald door de sociale vorm waarin, dat wil zeggen, de maatschappelijke voorwaarden waaronder de productiekrachten tot ontwikkeling worden gebracht. Hoe de mensen zich tot elkaar verhouden met betrekking tot de maatschappelijke rijkdom (dat wil zeggen: het karakter van de materieel maatschappelijke verhoudingen) is weliswaar niet alleen, maar wèl uiteindelijk bepalend voor de kwaliteit van het menselijk bestaan. Dat wil zeggen: voor de mate waarin het voor individuele mensen mogelijk is op menswaardige wijze te leven, met perspectief hun bestaan op te bouwen en hun leven zoveel als mogelijk tot ontplooiing te brengen.
Politiek-theoretische uitgangspunten:
- De wijze waarop de mens vandaag de dag zijn bestaan produceert, wordt nog steeds en zelfs in versterkte mate gekenmerkt door de kapitalistische klassenverhouding. Door een productiewijze waarin in beginsel en in laatste instantie (maar niet uitsluitend) wordt geproduceerd omwille van de winst. De maximalisatie van de winst op korte of langere termijn vormt steeds het hoogste doel, is doel in zich en derhalve het principe van dit systeem, c.q. van deze maatschappelijke ordening.
- Het per saldo produceren omwille van de winst en niet omwille van de mens en zijn behoeften veronderstelt en vereist dat de sociale verhouding van de maatschappelijk productieve arbeid de loonvorm heeft. Dat wil zeggen: voor zover mensen deelnemen aan het maatschappelijk arbeidsproces, worden de meesten op een bijzondere wijze uitgebuit: niet zelf beschikkend over maatschappelijke rijkdom (productie-middelen) zijn de meesten alleen al om in leven te blijven, gedwongen zich als arbeidskracht te verkopen aan diegenen die wèl over deze maatschappelijke rijkdom beschikken (de kapitalistenklasse). Dat betekent dat zij voor hun productieve arbeid ten hoogste (of zoveel minder) worden betaald om zich als (minder of meer gekwalificeerde) arbeidskracht te herstellen en te reproduceren.
- De maximalisatie van de winst als systeemprincipe veronderstelt en vereist de private en wederzijds elkaar beconcurrerende toeëigening en realisatie van geproduceerde meerwaarde. De hiervoor noodzakelijk vereiste ook relatieve meerwaardestijging - dat wil zeggen: de minimalisering van productiekosten - creëert telkens opnieuw een omvangrijke arbeidsreserve, massale uitstoting uit het arbeidsproces, i.c. maatschappelijke uitsluiting op grote schaal, waarvan de instandhouding van belang is voor de intensivering van de uitbuiting, het drukken van de lonen onder toenemende werkdruk. Uitbuiting (toenemende werk- en loondruk) en uitsluiting (structurele en massale werkloosheid) veronderstellen en versterken elkaar wederzijds. Niettemin gaat de uitbuiting logisch aan de uitstoting vooraf.
- De loonvorm waarin de meeste arbeid wordt verricht, is een bijzondere vorm van sociale uitbuiting omdat deze, in tegenstelling tot die van de middeleeuws agrarisch-feodale en van de antieke slavenmaatschappij, een zuiver zakelijk karakter heeft. Dat betekent: anoniem (stom) maar ook niemand en niets ontziend, ofwel: onzichtbaar maar meedogenloos. Deze bijzondere uitbuitingsverhouding in de maatschappelijke productie betekent dat de maatschappelijke ordening uiteindelijk berust op een tegenwerkende en onverzoenbare klassentegenstelling. Te weten: de loon-afhankelijke, met name absolute meerwaarde producerende en in het algemeen de van productiemiddelen (maatschappelijke productie-rijkdom) verstoken proletarische klasse tegenover de klasse van op private toeëigening van de geproduceerde meerwaarde gebaseerde en per saldo op maximalisatie van de winst gerichte kapitaalbezitters.
- Met de voortgaande en permanente opeenhoping van het kapitaal (die zowel onderlinge concurrentie als toenemende concentratie veronderstellen!) heeft het kapitalisme - door koloniale expansie en meedogenloze uitbuiting van de autochtone bevolking en wereldwijd beslag leggend op belangrijke grondstoffen en energiebronnen - zich in de 20e eeuw kunnen ontwikkelen tot monopoliekapitalisme. De multinationale monopolistische fracties bepalen inmiddels de verhoudingen binnen de kapitalistenklasse en beheersen thans de wereldomvattende kapitaalbewegingen. Vooral het zich dóór en mèt het monopolie-kapitalisme ontwikkelde bankkapitaal, dat tezamen met het productieve kapitaal het financierskapitaal formeert, is een moeilijk te doorgronden netwerk van elkaar afhankelijke relaties en elkaar op leven en dood bestrijdende posities.
- De nationale staten, vooral die waarbinnen het kapitalisme zich tot monopolie-kapitalisme heeft kunnen ontwikkelen en in deze ontwikkeling ook zèlf een economisch-monopolistische functie vervullen, hebben als politieke taak de voortgang van de kapitaalaccumulatie in haar totaliteit veilig te stellen. Voor hun politieke beleid zijn ze daarom afhankelijk van de meest machtige, internationaal opererende, monopolistische fracties. Het monopolie-kapitalisme, waarin de burgerlijke staten en hun onderlinge organisaties economisch participeren en dat middels deze staten zijn politiek-economische hegemonie uitoefent, verkeert thans in zijn meest ontwikkelde, dat wil zeggen, imperialistische fase. Dit imperialisme, dat wereldwijd zijn politieke en ideologische hegemonie uitoefent, is productief, expansief en offensief. Zij beschikt, middels haar staten, ook over de sterkste en belangrijkste militaire, met nucleaire en (bio-) chemische wapens uitgeruste, krachten. Niettemin is deze vorm van kapitalisme vanwege zijn interne concurrentie, dat wil zeggen, door zijn innerlijk tegenstrijdig functioneren, levensgevaarlijk-explosief (de permanente dreiging van een nieuwe interimperialistische wereldoorlog), maar vanwege zijn deels parasitair karakter eveneens kwetsbaar-implosief (kan op grond van innerlijke tegenstellingen ineenstorten).
- Deze kapitalistische productiewijze, die de wereld mondiaal (globaal) en veelal ook regionaal (nationaal) domineert, wordt niettemin gekenmerkt door een fundamentele ongerijmdheid. Te weten: de private toe-eigening van maatschappelijke (productie-) rijkdom staat fundamenteel op gespannen voet en verdraagt zich vroeg of laat niet met de door de stijging van de arbeidsproductiviteit in omvang en kwaliteit almaar groeiende maatschappelijke rijkdom. Gelet op deze fundamentele en tendentiëel oplopende systeem-spanning (waardoor de tegenstellingen steeds groter worden en in toenemende mate met crises gepaard gaan) is de loonafhankelijke bevolking - alleen al om zich van deze precaire en levensondermijnende situatie te bevrijden en op den duur te kunnen overleven - hoe dan ook genoodzaakt deze klassenverhouding en daarmee ook deze orde op te heffen.
- Omdat juist de arbeidersklasse de producerende, dus feitelijk productieve klasse is (bij uitstek zij immers draagt bij tot de absolute stijging van de meerwaarde), is ze evenwel niet alleen genoodzaakt maar in beginsel ook in staat en bij machte de omverwerping van de kapitalistische ordening tot stand te brengen.
- De vereiste en in beginsel mogelijke omwenteling van de kapitalistische productievormen is in feite alleen realiseerbaar indien de werkende en loonafhankelijke klasse zich van haar positie en taak in deze bewust wordt en zich op die basis organiseert en de klassenstrijd aangaat. De politiek-ideologische bewustwording en de daarmee corresponderende organisatorische versterking veronderstellen en vereisen evenwel dat loon- en sociaal afhankelijke mensen zich massaal aaneensluiten, zich organiseren op hun gemeenschappelijke en objectieve belangen, opkomen voor hun rechten op een menswaardig, qua levenspeil steeds met de historische stand van de productiekrachtenontwikkeling overeenkomend, bestaan en waar mogelijk reeds onder deze verhoudingen tastbare en voelbare resultaten boeken. Het zich noodzakelijk politiek organiseren op de gemeenschappelijke en objectieve belangen van de loon- en sociaal afhankelijke bevolking vereist daarom mede het aangaan van politieke coalities en allianties op anti-kapitalistische eisen. Dat wil zeggen op die zaken waarmee loonafhankelijke mensen hun positie materieel, cultureel en politiek kunnen versterken, terwijl daarmee tegelijkertijd de positie en dominantie van de heersende klasse kan worden verzwakt en teruggedrongen.
- De principiële mogelijkheid en noodzaak om de heersende kapitalistische orde op te heffen, veronderstelt evenwel ook de historisch-logische mogelijkheid een andere en kwalitatief hoger maatschappelijk stelsel tot stand te brengen. Een maatschappelijke ordening die op een andere, socialistische productiewijze is gebaseerd.
- In deze socialistische productiewijze kan worden geproduceerd omwille van de mens en in functie van de ontwikkeling van zijn behoeften. Dit omdat de te produceren meeropbrengst, dat wil zeggen de toename aan productiemiddelen, en dus de maatschappelijke rijkdom, op voorhand eigendom van de feitelijk producerende bevolking als geheel is.
- De socialistische grondslag van de maatschappelijke productie, waarin iedereen kan werken naar vermogen en kan krijgen naar de geleverde inzet en inspanning, vormt een onmisbare voorwaarde voor het realiseren van wat voor het voortbestaan van de mensheid historisch noodzakelijk is: een communistische, dat wil zeggen klassenloze en vrij van onderdrukking wordende, dus vrij wordende maatschappij, waarin een ieder werkt naar zijn vermogen en kan krijgen naar zijn maatschappelijk ontwikkelde behoeften. Een maatschappelijke samenhang die spoort mèt en in functie staat van de ontwikkeling van een ieder, zodat de ontwikkeling van een ieder ook voorwaarde voor de ontwikkeling van allen is geworden.
- De deze voor de toekomst van de mensheid noodzakelijke, wereldhistorische en hoe dan ook revolutionaire overgang van een kapitalistisch naar een socialistisch bestel dient vooral in politieke zin te worden bevochten. Het objectieve proces kan alleen tot gelding komen indien de proletarische en loonafhankelijke klasse zich enerzijds van deze situatie - haar sterke positie en haar mondiale rol - bewust wordt, en zich op grond van dat bewustzijn praktisch organiseert. Anderzijds indien deze klasse zich organiseert en solidariseert op basis van haar objectieve belangen en zich aldus meer bewust wordt van haar klassensituatie, positie en taakstelling.
- De wereldhistorische overgang van kapitalisme naar socialisme is bij uitstek ook een politieke en subjectief te bevechten overgang: een overgang waarin de burgerlijke democratie moet worden omgevormd tot een socialistische democratie, dat wil zeggen: waarin de feitelijke dictatuur van de kapitalistenklasse in eerste instantie moet worden vervangen door de dictatuur (politieke heerschappij) van het proletariaat (zie bijlage).
- De uitsluitend door strijd tegen de kapitalistenklasse te bewerkstelligen anti-kapitalistische omwenteling en de overgang naar een socialistische democratie kan van de kant van de heersende klasse, gelet ook op het met nucleaire en chemische wapens uitgeruste politiek-militaire potentieel waarover deze klasse beschikt, met een meedogenloos maximum aan militair geweld worden beantwoord. Ofschoon de werkende bevolking (de uitgebuite klasse) zich zoveel als mogelijk van politieke middelen (politieke stakingen, demonstraties en andere pressiemiddelen) bedient - dus zich primair richt op vermijding en minimalisering van (gewapend) geweld - wordt de wijze waarop en de mate waarin de (revolutionaire) strijd ook van haar kant een gewelddadig, zo nodig gewapend karakter zal hebben, vooral bepaald door a) de mate waarin en de wijze waarop de kapitalistenklasse haar op massale vernietiging gerichte militaire macht in een kritieke revolutionaire situatie daadwerkelijk zal inzetten, b) door de vraag welke prijs de georganiseerde, werkende, loon- en sociaal afhankelijke bevolking met het oog op het te bereiken doel, n.l. het vestigen van een socialistische grondslag, in dat geval zèlf bereid is te betalen.
- De communistische partij - voortkomend uit en deel uitmakend van de loonafhankelijke arbeidersklasse - heeft tot taak aan dit proces en deze beweging de noodzakelijke politieke en organisatorische, theoretische en praktische leiding te geven. Ze is de politiek-praktische, dat wil zeggen: de materiële eenheid van het wetenschappelijk socialisme enerzijds en het op dat weten gebaseerde, feitelijk-actueel politieke optreden en handelen anderzijds.
NOTEN.
- De omvorming van het socialisme van utopie tot wetenschap heeft van het idee een systematisch geheel gemaakt. Haar systematisch karakter, haar coherentie en consistentie geven aan deze theorie - zoals aan elke algemene, in het bijzonder universele, wetenschappelijke theorie - een zekere innerlijke geslotenheid. Niettemin is ook het wetenschappelijk socialisme - zoals iedere goede theorie - niet alleen vatbaar voor verdere ontwikkeling (verdieping, verbreding en verbetering), maar ook onafgesloten en niet definitief.
- Voor Marx en Engels was de Duitse idealistische filosofie, die bij Kant begint en met Hegel haar hoogtepunt bereikt, hoe dan ook de belangrijkste bron voor de ontwikkeling van hun filosofische conceptie, voor hun theoretisch ontwerp van de maatschappelijke en natuurlijke ontwikkelings-samenhang. Met name in de filosofie van Hegel is het klassiek filosofische erfgoed (van Plato, Aristoteles, Spinoza, Leibniz e.a.) in een nieuwe theoretische samenhang gebracht. Omdat echter Hegels conceptuele samenhang voor het eerst de wording van de wereld naar een vrije wereld tot begrip brengt, wordt met name juist in deze filosofie de modern-burgerlijke wereld in principe als de beste, dat wil zeggen als de voor de mens meest geschikte wereld in kaart gebracht en begrepen. En ofschoon in dit theoretische geheel de wording van een vrije wereld in haar dialectische ontwikkeling wordt opgevat, stelt Hegels filosofie bij uitstek het standpunt van de burgerlijke maatschappij tegenwoordig en blijft zijn filosofie een vanuit het perspectief van de idee en geest ontworpen, dat wil zeggen idealistisch, systeem. Bemiddeld door Feuerbach, die tegenover dit absolute idealisme het primaat van de natuur stelde - en de mens met beide benen op de materieel-aardse grond zette - zijn Marx en Engels in staat geweest de idealistische dialectiek van Hegel om te keren, op een materialistische grondslag te plaatsen en zowel methodisch als systematisch om te vormen.
- De uitdrukking utopisch socialisme wordt gebruikt om denkers vóór Marx aan te duiden voor wie een min of meer socialistische,respectievelijk communistische maatschappij wenselijk was. De ontwikkeling van het utopisch socialisme verliep ruwweg in de volgende fasen: a) in de late Middeleeuwen waren er sporen van socialistische, c.q. communistische ideeën binnen het gedachtegoed van verschillende leiders van ketterse religieuze sekten, in oppositie tegen de feodale maatschappijorde; b) in de late bloeitijd van het absolutisme (begin 16e eeuw) zien we de eerste systeembouwers: Thomas More (de uitvinder van het begrip utopie - Oorspr. Grieks 'nergens'), Thomaso en Campanella; c) in de periode van de Engelse burgerlijke revolutie (ca 1640-1650) zien we de eerste kleinburgerlijke en proletarische communistische groeperingen (Levellers en Diggers); d) in de periode van de late verlichting en Franse revolutie (ca 1750-1800) zien we het communistisch gedachtegoed van het meest vooruitstrevende deel van de revolutionaire bourgeoisie; e) in de vroege periode van het industrieel kapitalisme (ca 1810-1840) zien we de ontwikkeling van de 'grote drie' (Charles Fourier, Robert Owen, Saint-Simon), de grote ontwerpers van het utopisch socialisme; en f) de met name door Proudhon geïnspireerde coöperatieve werkgemeenschappen van de syndicalisten in Frankrijk en Zwitserland. Utopische socialisten beschouwden het socialisme als een nastrevenswaardig en bereikbaar ideaal en veronderstelden dat dit ideaal realiseerbaar is door het te praktiseren, dus door bij wijze van voorbeeld (exemplarisch) te laten zien dat 'socialistisch samenleven' kan. Door de daad aan het ideaal toe te voegen demonstreren dat het ideaal realiseerbaar is en dat deze communitaire wijze van (samen-)leven voor de mens het beste is.
- Zie daartoe met name "Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme".
- In de door Lenin ontwikkelde dialectiek van historisch objectieve voorwaarden, resp. wetmatigheden enerzijds en subjectieve voorwaarden, die tezamen de subjectieve factor definiëren, anderzijds, wijst hij eerst op het primaat van het objectieve en verwerpt hij elk voluntaristisch subjectivisme, dat wil zeggen: keert hij zich tegen het idee dat we ons vooral moeten laten leiden door wat politiek wenselijk en gewild wordt, zonder rekening te houden met objectief gegeven voorwaarden. Niettemin kritiseert hij tegelijk elk 'mechanisch' en 'spontaan' objectivisme, dat daarentegen de soms beslissende betekenis van de subjectieve factor negeert (zie daarvoor met name "De 'linkse stroming', een kinderziekte van het communisme"). Dit door hem ontwikkelde inzicht in de dialectiek heeft hij ook toegepast en uitgewerkt op de verhouding van theorie en praktijk in de politiek, op die van economie en politiek (zie "Economie en politiek in het tijdperk van de dictatuur van het proletariaat"), op de relatie van democratie en socialisme (zie "Over 'democratie' en dictatuur" en "Staat en revolutie") en niet in de laatste plaats op de verhouding van het nationale en het sociale vraagstuk (zie daartoe m.n. "De socialistische revolutie en het recht der naties op zelfbeschikking").
- Behalve Marx en Engels heeft vooral Lenin de communistische partij als partij van de arbeidersklasse, de principes van haar ideologische geslotenheid en volstrekte openheid, die van het democratisch centralisme in zijn innerlijke samenhang en die van het collectieve karakter van de partijleiding geformuleerd.
- Daar waar de mannelijke vorm staat, geldt tevens de vrouwelijke vorm.
Toelichting op de noten:
Conceptueel: betreft de vorming van een nieuwe scheppende gedachte,
Voluntaristisch subjectivisme:
wereldbeschouwing die in de menselijke idee de grondslag zoekt van alle maat en wet; waarbij de wens vader van de gedachte is,
Objectivisme:
gaat uit van de voor-onderstelling dat er waarheden, waarden en zaken bestaan, onafhankelijk van het menselijk denken.
Bijlage:
Socialistische democratie en dictatuur van het proletariaat.
Op het moment dat samenlevingen zich vanuit hun oorspronkelijke klassenloze samenlevingsvorm ontwikkelen tot een klassenmaatschappij, d.w.z. tot een op klassentegenstellingen berustende maatschappijvorm, ontstaan er staten. Naar haar vorm en abstract genomen heeft elke staat tot doel aan een samenleving politieke samenhang en sturing te verlenen: met de pretentie voor het algemeen belang te staan, vormt ze het centrum van politieke machtsuitoefening. Inhoudelijk en concreet echter vertegenwoordigt en behartigt de staat grosso modo (dus niet zonder meer!) het (gemeenschappelijk) belang van de heersende klasse: in feite functioneert de staat dus steeds èn als politiek instrument èn als ideologische legitimatie van de in een klassenmaatschappij heersende klasse.
Afhankelijk van de economische en culturele ontwikkeling die maatschappijen doormaken, in het bijzonder veranderingen met betrekking tot de aard van de klassenverhoudingen (verschillende staatstypen) kunnen we wat de organisatorische structuur van de staat aangaat uiteenlopende politieke levensvormen onderscheiden: variërend van monarchie, despotie, oligarchie, aristocratie tot vormen van democratie.
Onder kapitalistische klassenverhoudingen, die zich van vóór-kapitalistische klassentegenstellingen ideologisch onderscheiden door het bestaan van de fundamentele klassentegenstelling en de kapitalistische uitbuiting te ontkennen ('individuele vrijheid en gelijke kansen') is een zekere en bepaalde (burgerlijke) vorm van democratie de meest geëigende politieke levensvorm. Deze vorm van democratie, die in het denken van de heersende (kapitalisten-) klasse juist niet voor een burgerlijke maar voor de democratie wordt gehouden, kenmerkt zich door de verabsolutering van het vorm-element, resp. door ontkenning van wat democratie naar haar inhoud moet zijn. Met andere woorden: karakteristiek voor de burgerlijke (of de burgerlijke vorm van) democratie is dat ze zich principieel beperkt tot het vormaspect: vertegenwoordiging, 'vrije' partijvorming, ('vrije') verkiezingen, de meerderheid beslist, etc.. Democratie wordt hier eenzijdig en abstract gedefinieerd als 'dat de bevolking beslist', in tegenstelling tot de meer concrete definitie van democratie: 'de bevolking beslist in overeenstemming mèt en in functie vàn wat objectief in haar belang is'.
Deze principiële beperking die aan de burgerlijke levensvorm vastzit, de verabsolutering van het vorm-karakter, is toegesneden òp en verleent uitdrukking áán de manier waarop de burgerlijk-democratische staat feitelijk functioneert: de burgerlijke democratie is in feite immers de politieke levensvorm waarin de thans heersende kapitalistenklasse haar politieke macht en ideologische hegemonie uitoefent: de burgerlijke democratie staat over het geheel genomen (dus niet zonder tegenspraak!) in functie van de politieke heerschappij, d.w.z. dictatuur van het kapitaal.
De door de bewust georganiseerde arbeidersklasse te bevechten, revolutionaire overgang van een kapitalistische naar een socialistische ordening maakt het èn noodzakelijk èn mogelijk de burgerlijke democratie te vervangen door een hogere vorm van democratie, d.w.z. een socialistische democratie. Ofwel: de kapitalistische (burgerlijke) staat te vervangen voor een socialistische (proletarische) staat. In dit staatstype wordt de politieke heerschappij en hegemonie uitgeoefend door de nieuwe heersende klasse, de loonafhankelijke arbeidersklasse (dictatuur van het proletariaat). Hoewel de socialistische democratie in verhouding tot de burgerlijke democratie een hoger ontwikkelde vorm van democratie is, omdat niet de uitbuitende kapitalisten-klasse maar de in het bezit van de maatschappelijke (productie-)rijkdom gekomen feitelijk producerende bevolking het (politiek) voor het zeggen heeft, is ook de socialistische democratie als politieke staatsvorm begrenst. Een socialistische maatschappij immers heeft evenzeer nog een klassenkarakter. Zij wordt nog bepaald door een klassentegenstelling en heeft derhalve een staat nodig.
In tegenstelling echter tot een burgerlijke democratie kan een socialistische democratie zich in beginsel steeds meer uitbreiden en verder verdiepen. Ofschoon ook de aan deze vorm van democratie inherente begrenzing (dat betekent: de politieke machtsuitoefening en hegemonie van de feitelijke producerende arbeidersklasse) niet kan worden overschreden, kunnen deze grenzen door een progressieve ontwikkeling en uitbouw van het socialisme wèldegelijk worden verruimd. Aldus legitimeert en beschermt de socialistische democratie in de eerste plaats de opbouw en uitbouw van een socialistische productiewijze. In de tweede plaats is het voor de verdere ontwikkeling van een socialistische naar een communistische maatschappij noodzakelijk dat het democratisch gehalte en functioneren van een socialistische democratie zich zo mogelijk uitbreidt en verdiept.
Een maatschappij op socialistische grondslag heeft in beginsel het vermogen en staat mede voor de noodzaak zich te blijven ontwikkelen en versterken. Dit zowel (sociaal-) economisch als (sociaal-) politiek, zowel in materiële als in culturele zin. De noodzakelijke ontwikkeling van het socialisme betekent evenzeer ook de verdere ontwikkeling van de socialistische democratie als democratie. De politieke heerschappij en hegemonie van het proletariaat kan en moet worden losgelaten indien ze overbodig wordt, d.b. de ontwikkeling van het socialisme eerder stagneert en verhindert dan bevordert. Ze wordt echter pas overbodig indien en doordat ze optimaal heeft gefunctioneerd, dat wil zeggen, wanneer de arbeidende klasse haar taak heeft vervuld, c.q. het socialisme een zodanige verankering heeft gekregen dat het bereiken van communistische productie- en levensvormen een welbewuste vanzelfsprekendheid is geworden. Juist voor een socialistische maatschappij is de communistische (klassenloze) maatschappij immers geen ideale toekomst (of een toekomstig ideaal), maar bittere noodzaak, eigen aan haar werkelijke ontwikkeling.
Pas echter met het winnen en bereiken van een klassenloze maatschappij kan de socialistische staat geleidelijk 'afsterven', de repressie verdwijnen en de (socialistische) democratie 'inslapen'.