30 november 2005

Russische Rechtsgeleerden over de 'eerlijkheid' van het Milosevic Proces

Op 29 november jongstleden, tijdens de beraadslagingen van het ICTY (International Criminal Tribunal for the Former Yugoslavia, in het vervolg: Joegoslavië Tribunaal) over 'zijn gezondheid en eventuele intrekking van de aanklachten', gaf president Milosevic zijn ondervragers een belangwekkende les over recht en politiek.

Tijdens de beraadslagingen werd benadrukt dat alle medisch deskundigen, inclusief degenen die zijn aangesteld door het Joegoslavië Tribunaal, het erover eens zijn dat een rustperiode voor Milosevic absoluut noodzakelijk is. Ondanks dat hebben de 'rechters' nog geen beslissing genomen in afwachting van nog meer medische rapporten. Het proces werd zelfs gewoon voortgezet. Milosevic presenteerde daarbij de op schrift gestelde conclusies van een groep befaamde Russische deskundigen op het gebied van Internationaal Recht, over de 'eerlijkheid' van de Haagse procesgang.

Hieronder vindt u de vertaling van dat belangrijke document:

VERKLARING

van de Groep van leden van de Russische Associatie van Internationaal Recht voor Controle van het Proces van de Openbare Aanklager tegen S. Milosevic in het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY):

De Groep van leden van de Russische Associatie van Internationaal Recht voor Controle van het Proces van de Openbare Aanklager tegen S. Milosevic in het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia spreekt haar bezorgdheid uit over de schending van het fundamentele recht van de beklaagde: het recht op een eerlijk proces.

Het recht op een eerlijk proces is vastgelegd in een reeks van internationale wettelijke bepalingen, (onder meer: Art. 10 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, 1948; Art. 14 van het Internationale Convenant inzake Burgerlijke en Politieke Rechten, 1966; Art.6 van de Europese Conventie voor de Bescherming van Mensenrechten en Fundamentele vrijheden, 1950; Art. 75.4 van het Aanvullend Protocol I van de Conventie van Genève ter Bescherming van Oorlogsslachtoffers, 1977; enzovoort) en zelfs in de Statuten van het Tribunaal zelf (Art. 21.2). Daarom is de verzekering van dat recht een verplichting bij ieder proces dat plaatsvindt bij het Joegoslavië Tribunaal.

De internationale juridische term 'eerlijkheid' van rechtszaken omvat een aantal elementen, in de eerste plaats bedoeld voor de beklaagde, onder meer het recht: op het krijgen van voldoende tijd en middelen om zijn verdediging voor te bereiden; zijn eigen verdediging te voeren; bij zijn eigen proces aanwezig te zijn; getuigen tegen hem te ondervragen, of te laten ondervragen; en het recht getuigen ter zijner verdediging op te roepen en te ondervragen onder dezelfde condities als degenen die tegen hem getuigen.

  1. Recht van beklaagde op het krijgen van voldoende tijd en middelen om zijn verdediging voor te bereiden

    Tussen het moment dat de eerste handtekening onder de eerste aanklacht tegen S. Milosevic werd gezet en de start van de het proces, de Openbare Aanklacht, tegen Milosevic twee jaar geleden, is een periode van twee jaar en acht maanden verstreken. Al die tijd werd gebruikt voor de voorbereidingvan de zaak van de Openbare Aanklager, die zelfs nog verder werd voortgezet gedurende acht maanden nadat Milosevic werd gevangengezet.

    Milosevic kreeg een periode van drie maanden om zijn verdediging voor te bereiden. [1]

    Na enige verlenging van die periode, als gevolg van ziekte van de beklaagde, bedroeg de totale tijd voor de voorbereiding van de verdediging zes maanden. Maar een aanzienlijk deel van die extra tijd kon niet worden benut voor de voorbereiding van de verdediging, omdat het Secretariaat van het Tribunaal voortdurend weigerde Milosevic toestemming te geven om zijn getuigen te ontmoeten, op grond van zijn slechte gezondheid.

    Het is absoluut duidelijk dat in de meest complexe, internationale strafzaak, die 66 aanklachten omvat en enkele duizenden gebeurtenissen, de gegeven tijd voor de voorbereiding van de verdediging absoluut ontoereikend is, zeker gezien het feit dat de beklaagde in de gevangenis zit. In overeenstemming met de principes van gelijkheid van de partijen in het proces moet de beklaagde op zijn minst evenveel tijd voor zijn verdediging krijgen als de aanklagers voor de voorbereiding van hun zaak, vanaf het moment van die eerste handtekening onder de eerste aanklacht tot het begin van het proces. Overeenkomstig de principes van het aan de beklaagde verlenen van voldoende tijd voor de voorbereiding van zijn verdediging, daarbij rekeninghoudend met de uitzonderlijke complexiteit van de zaak, moet aan Milosevic voldoende tijd worden gegeven voor zijn voorbereiding en minder dan zes maanden kan niet als voldoende worden beschouwd.

    Het verzoek van de beklaagde om meer tijd te krijgen voor zijn verdediging, werd ook door de 'Appeals Chamber' (Beroepskamer/Kamer van Beroep van het tribunaal) afgewezen met de verklaring: "Door ervoor te kiezen zijn eigen verdediging te voeren, heeft de beklaagde zichzelf beroofd van de mogelijkheden die een goed toegerust team van advocaten hem zou kunnen bieden" en dat hij "als gevolg daarvan de verantwoordelijkheid moet aanvaarden voor de nadelen die deze keuze met zich kan meebrengen". [2] Ter onderbouwing van deze 'conclusie' beriep de Appeals Chamber' zich op vier besluiten van de nationale gerechtshoven, maar 'vergat' te verwijzen naar de van toepassing zijnde normen van het internationaal recht. Dus de hoogste kamer van het Tribunaal, die verplicht is de geschonden rechten van de beklaagde te beschermen, onderschrijft feitelijk de illegale beslissing van de 'Trial Chamber' (Strafkamer van het Tribunaal) door de beklaagde te straffen voor zijn keuze, zijn eigen verdediging te voeren, zonder daarbij juridisch overtuigende argumenten aan te halen. Het recht op voldoende tijd voor de voorbereiding op de verdediging is een recht van de beklaagde! Bovendien staat dat recht in de lijst van rechten zonder beperkingen. [3]

    De Groep verklaart hierbij dat het Joegoslavië Tribunaal het recht van de beklaagde op het krijgen van voldoende tijd om zijn verdediging voor te bereiden geschonden heeft.

  2. Het recht van de beklaagde om zijn eigen verdediging te voeren

    Het recht van de beklaagde om zijn eigen verdediging te voeren kent geen beperkingen, en in het verlengde daarvan is er, in geval van het tegen de zin van beklaagde toewijzen van een advocaat, sprake van schending van de normen van het internationaal recht. Geen enkel argument van het hof en zeker niet de tijdelijke ziekte van de beklaagde, kan als grond dienen om de beklaagde dat recht te ontzeggen.

    De toewijzing van advocaten aan Milosevic, tegen zijn zin, doet ernstig vermoeden dat dit bekokstoofd is om ervoor te zorgen dat zijn verdediging ook kan plaatsvinden als hij er niet bij zou kunnen zijn als zijn gezondheid verslechtert.

    De Groep verklaart hierbij dat het Joegoslavië Tribunaal het recht van de beklaagde om zijn eigen verdediging te voeren schendt.

  3. Het recht van de beklaagde om bij zijn eigen proces aanwezig te zijn

    Ook dit recht kent geen beperkingen. Het feit dat beide kamers van het tribunaal zich beroepen op efficiënt gebruik van de tijd [als legitimatie van de voortzetting van het proces in afwezigheid van Milosevic, noot van de redactie] is onacceptabel in termen van internationale juridische termen, want elke andere interpretatie van een norm is alleen mogelijk als die norm vaag is. In het geval van de minimale rechten van de beklaagde, die behoorlijk duidelijk zijn geformuleerd, is een dergelijke interpretatie in tegenspraak met het algemene principe van het recht: 'in claris non fit interpretario'. Algemene rechtsprincipes zijn bindend voor alle gerechtshoven, dus ook voor het Joegoslavië Tribunaal.

    In relatie tot dit punt is de zogenaamde 'zaak' van de getuige à decharge (ter verdediging van Milosevic) K. Bulatovic van belang. Hij weigerde om te getuigen in afwezigheid van de beklaagde, wat onmogelijk gezien kon worden als minachting van het hof. De getuige K. Bulatovic probeerde op te komen voor het recht van de beklaagde om aanwezig te zijn bij zijn eigen proces, maar werd vervolgens volkomen zonder reden veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf. De getuige K. Bulatovic weigerde niet in het algemeen om vragen te beantwoorden, maar hij weigerde vragen te beantwoorden in afwezigheid van Milosevic, de beklaagde. De zitting van het hof op 19 april 2005, toen de 'Trial chamber' de fundamentele elementen van het recht op een eerlijk proces op grove wijze heeft geschonden, was illegaal, en de getuige K. Bulatovic was daarom niet verplicht om tijdens een dergelijke zitting vragen te beantwoorden.

    Daarom verklaart de Groep hierbij dat de ICTY het recht van de beklaagde om bij zijn eigen proces aanwezig te zijn schendt.

    Bovendien geeft de handelwijze van de 'Trial Chamber' tegenover de getuige à decharge aanleiding tot twijfel over de onpartijdigheid van het hof. Minachting van het hof wordt niet bepaald op grond van persoonlijke gevoelens van de rechters, maar op grond van het internationaal recht. Het bestraffen van de betreffende getuige, die in overeenstemming met het internationaal recht heeft gehandeld, was absoluut tegengesteld aan het recht. De twijfel over de onpartijdigheid van het hof is vooral ontstaan door het feit dat een reeks van getuigen à charge (ter beschuldiging van Milosevic), in het bijzonder de getuige A. Zekiri en getuige K-12, die daadwerkelijk weigerden om voor het hof te getuigen, niet tot gevangenschap werden veroordeeld. Een van hen werd niet eens beschuldigd van minachting van het hof. [4]

  4. Het recht van beklaagde om getuigen tegen hem te ondervragen, of te laten ondervragen, en het recht getuigen ter zijner verdediging op te roepen en te ondervragen onder dezelfde condities als degenen die tegen hem getuigen

    De openbare aanklager en zijn medewerkers kregen van de 'Trial Chamber' 300 dagen om de presentatie van hun zaak voor te bereiden, terwijl S. Milosevic slecht 150 dagen kreeg om de presentatie van zijn verdediging voor te bereiden.

    Helaas werden de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties misleid door het rapport van het Joegoslavië Tribunaal, waarin wordt beweerd dat de 'Trial Chamber' de opdracht heeft gegeven dat de beklaagde dezelfde hoeveelheid tijd moest krijgen om de presentatie van zijn verdediging voor te bereiden als de aanklager heeft gekregen om de presentatie van zijn zaak voor te bereiden. [5] Die bewering heeft tot doel de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad ervan te overtuigen dat met betrekking tot de verdediging van de beklaagde in het proces de basiselementen van het recht op een eerlijk proces zijn verzekerd, wat ver beneden de waarheid is.

    De beklaagde S. Milosevic werd twee keer minder tijd toegewezen dan de aanklager. De argumentatie van het hof, bedoeld voor het internationale publiek, dat 150 dagen gelijk zijn aan 300 dagen is niet alleen niet overtuigend maar ook illegaal. De beschuldiging dat Milosevic tijdens de presentatie van de zaak door de openbare aanklager meer tijd gebruikte dan de aanklager zelf mag geen basis zijn voor het beperken van de tijd voor zijn verdediging, want Milosevic besteedde die tijd niet aan zijn eigen getuigen maar aan de getuigen die de aanklager heeft opgeroepen. Deze manipulatie moet de nodige aandacht trekken van de internationale gemeenschap in het algemeen en de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad van de VN, want ook dit feit maakt de onpartijdigheid van het hof twijfelachtig.

    Nog erger: het was de bedoeling om op zeer korte termijn het deel van het proces over Kosovo los te koppelen van het proces over de rest van de beschuldigingen, terwijl de verdediging nog in volle gang is. Ook dit is weer een schending van het recht van beklaagde op een eerlijk proces. De door de aanklagers opgeroepen getuigen hebben verscheidene keren getuigenverklaringen afgelegd die zowel betrekking hadden op Kosovo als op alle andere aanklachten. Het scheiden van het proces in twee delen, op welke gronden dan ook, terwijl de verdediging nog gevoerd wordt, zal opnieuw een schending betekenen van de rechten van de beklaagde op een eerlijk proces en brengt de getuigen ter verdediging van Milosevic in een oneerlijke positie in vergelijking met de getuigen van de aanklagers.

Daarom concludeert 'de Groep' dat het Joegoslavië Tribunaal het principe van gelijkheid van de partijen schendt evenals de 'veronderstelling van onschuld' (tot het tegendeel bewezen is).

De Groep van leden van de Russische Associatie van Internationaal Recht voor Controle van het Proces van de Openbare Aanklager tegen S. Milosevic in het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia heeft op 30 juni jongstleden een verklaring aangenomen waarin 'de Groep' unaniem de beslissing van de 'Trial Chamber', om aan Milosevic twee keer minder tijd toe te wijzen dan aan de Aanklager, kwalificeert als een grove schending van het internationaal recht. [6]

De Groep beoordeelt het verloop van het proces tegen Slobodan Milosevic als NIET in overeenstemming met de vereisten voor het waarborgen van het recht van de beklaagde op een eerlijk proces en brengt dit feit onder de aandacht van de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en het gehele internationale publiek. De Groep eist van het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces wordt gegarandeerd.

De Groep van leden van de Russische Associatie van Internationaal Recht voor Controle van het Proces van de Openbare Aanklager tegen S. Milosevic in het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia:

  1. J.M. Kolosov, doctor in Internationaal Recht; professor aan het Departement van Internationaal Recht van het Moskou's Staatsinstituut voor Internationale Betrekkingen van het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken; lid van het dagelijks bestuur van de Russische Associatie voor Internationaal Recht; lid van de VN-Commissie voor Economische, Sociale en Culturele Rechten; hoofdredacteur van de 'Moscow Journal of International Law';
  2. S.V. Chernichenko, doctor in Internationaal Recht; professor en hoofd van het Centrum voor Internationaal Recht van de Diplomatie Academie van het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken; Vice-voorzitter van de Russische Associatie voor Internationaal Recht;
  3. G.V. Ignatenko, doctor in Internationaal Recht; professor; Vice-voorzitter van de Russische Associatie voor Internationaal Recht; hoofdredacteur van de 'Russian Law Journal'; voormalig hoofd van het Departement van Internationaal Recht van de Oeral Staats Academie Recht;
  4. G.I. Kurdukov, doctor in Internationaal Recht; professor en hoofd van het Departement van Constitutioneel en Internationaal Recht aan de Kazan Staats Universiteit; Vice-voorzitter van de Russische Associatie voor Internationaal Recht;
  5. L.N. Galenskaya, doctor in Internationaal Recht; professor aan het Departement van Internationaal Recht van de Staatsuniversiteit in St. Petersburg; lid van het dagelijks bestuur van de Russische Associatie voor Internationaal Recht; hoofdredacteur van het 'Russische Jaarboek van Internationaal recht';
  6. A.J. Kapustin, doctor in Internationaal Recht; professor en hoofd van het Departement voor Internationaal Recht van de Russische Universiteit van Vriendschap van de Landen; decaan van de Rechtenfaculteit van RUDN; lid van het dagelijks bestuur van de Russische Associatie voor Internationaal Recht;
  7. E.S. Krivchikova, doctor in Internationaal Recht; professor aan het Departement van Internationaal Recht van het Moskou's Staatsinstituut voor Internationale betrekkingen van het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken;
  8. L.H. Mingazov, doctor in Internationaal Recht; professor en hoofd van het Departement voor Mensenrechten van UNESCO van de Kazan Staats Universiteit;
  9. R.M. Valeev, doctor in Internationaal Recht; professor en hoofd van het Departement van Constitutioneel en Internationaal Recht aan de Kazan Staats Universiteit; Vice-voorzitter van de Russische Associaltie van Internationaal Nucleair Recht; voormalig rechter van het Hooggerechtshof van de Republiek van Tatarstan;
  10. P.N. Birukov, doctor in Internationaal Recht; professor en hoofd van het Departement van Internationaal Recht van de Voronez Staats Universiteit;
  11. S.J. Marochkin, doctor in Internationaal Recht; professor; lid van het dagelijks bestuur van de Russische Associatie voor Internationaal Recht; hoofd van het Departement van Internationaal Recht aan de Tumne Staats Universiteit;
  12. N.I. Kostenko, doctor in Internationaal Recht; professor; leidinggevend partner van het Centrum voor Onderzoek Internationaal Recht van het Instituut voor Staat en Recht van de Russische Academie voor Wetenschap;
  13. A.B. Mezyaev, doctor in Internationaal Recht; plaatsvervangend Hoofd van het Departement voor Constitutioneel en Internationaal Recht van de faculteit voor Recht van de Management Academie; lid van de Raad van Deskundigen van de 'Ombudsman' van de Republiek van Tatarstan; Dagelijks Secretaris voor de leden van de Russische Associatie voor Internationaal Recht ter controle van het Proces van de Openbare Aanklager tegen S. Milosevic in het ICTY.

25 November 2005

Noten:

(Vertaling J.Bernaven)