| NAVO-Joegoslavië |

Geen militaire aanvallen tegen Servië; NATO roert oorlogstrom

Door Hans de Ruijter

De VS en Groot-Brittannië zijn er klaar voor, verklaarden ze vorige week. De Britse 'New Labour'-minister van Buitenlandse zaken vroeg als een echte Britse imperialist op 30 september toestemming van de VN voor aanvallen op Joegoslavië. Desnoods ook zonder de legitimatie van de VN verklaarden ze zich bereidt om militaire aanvallen uit te voeren op Servië. Berichten over slachtingen in Kosovo moesten een militair ingrijpen rechtvaardigen. Die berichten werden op een voor hen gunstig moment naar buiten gebracht. Terwijl hun belangrijkste concurrent op de Balkan, Duitsland, bezig is met een regeringswisseling, kunnen de VS de situatie naar hun hand zetten.

De gemelde bloedbaden ademen de sfeer van provocaties. Bij het dorpje Gornje Obrinje ten westen van Pristina werden 18 Albanese Kosovaren afgeslacht. Twee waren onthoofd. Anderen waren door het hoofd geschoten en van sommigen was de keel met messen doorgesneden (1). De gruwelijke details doen denken aan de slachtingen die de Algerijnse en Afghaanse fundamentalisten aanrichten en bovendien aan de aanwezigheid van de CIA. De algemene teneur in de berichtgeving is dat Servië verantwoordelijk is voor deze bloedbaden, zonder dat er een grondig onderzoek plaatsvond. Gesproken wordt over een vergelding voor een door het UCK toegegeven bomaanslag waarbij zeven Servische politieagenten om het leven kwamen (1). Overtuigende bewijzen worden echter niet geleverd. Het Kosovo Bevrijdingsleger (UCK) heeft eerder erkend dat het 'verraders' heeft vermoord. Andere bloedbaden worden gemeld waarvan de (vaak tegenstrijdige) details nog minder te verifiëren zijn.

De imperialisten maken zich op voor een actie tegen Joegoslavië, nu gaat het alleen nog om de argumenten om het aan de publieke opinie te verkopen. Al te vaak zijn dergelijke berichten die een militair optreden moeten rechtvaardigen later onjuist gebleken. De Washington Post sloot haar berichtgeving op 30 september over het bloedbad in Kosovo af met de voorzichtige opmerking dat verscheidene van zulke vermeende bloedbaden in Kosovo konden worden toegeschreven aan het UCK.(2)

Jugoslovenski Komunisti stelde eerder dit jaar dat de kwestie Kosovo-Metohija door de wereldmachten wordt aangegrepen om de bestaande machtsbalans en de politieke kaart van Zuidoost-Europa te veranderen (3). Er worden verschillende standpunten ten aanzien van de kwestie ingenomen, los van de historische en politieke feiten, die alleen maar de weerslag zijn van de belangen die in het spel zijn. De verschillende overheersers van de Balkan hebben de nationale, etnische en religieuze verschillen steeds uitgebuit om de Balkanvolkeren tegen elkaar op te zetten. Tijdens de eeuwenlange Turkse overheersing is de etnische kaart van het gebied ingrijpend veranderd. Als resultaat van de vervolgingen nam het aantal Serviërs af terwijl het aantal (geïslamiseerde) Albanezen toenam. Tegen de tijd van de bevrijding van de Turkse overheersing maakten de Albanezen ruim de helft van de bevolking uit in Kosovo (op dit moment circa 90 procent). Tijdens de nazi-bezetting van Joegoslavië voegden de bezetters een groot deel van Kosovo en Metohija bij hun 'Groot Albanië'. De Serviërs in het gebied werden verjaagd.

Kosovo in de Joegoslavische Federatie

De positie van Kosovo heeft sinds de bevrijding van het nazi-juk enige wijzigingen ondergaan. In 1945, direct na de bevrijding werd het een autonome eenheid. In de eerste grondwet van het socialistische Joegoslavië (1946) kreeg het de status van een autonome regio binnen Servië, en onder de grondwet van 1963 werd het een autonome provincie. Albanese separatisten vonden dit onvoldoende en ijverden voor een republiek Kosovo als eerste stap naar afscheiding van Servië en Joegoslavië. In 1968-1971 volgden amendementen op de grondwet waarbij de autonomie van Kosovo werd uitgebreid, waardoor het bijna dezelfde positie had als een republiek. Dit verschafte de Albanese meerderheid de mogelijkheid om hun politieke en etnische dominantie te vestigen in de republiek. Dit ging samen met discriminatie van de Servische bevolking in Kosovo. In 1981 werd de autonomie van het gebied weer teruggebracht tot het niveau zoals dat ook in andere Europese staten bestaat.

Vanaf 1981 vinden er weer separatistische demonstraties plaats in Kosovo. Een eis die steeds meer gesteld wordt is de aansluiting bij Albanië van Kosovo, Metohija en andere delen van Joegoslavië die worden bewoond door Albanezen. De meeste separatistische acties worden georganiseerd door emigrantenorganisaties van nationalistische en fascistische oriëntatie, zoals de Prizren Liga, de Nationale Organisatie voor de Beweging voor Legaliteit, Bali Kombetor, het Comité Vrij Albanië, het Nationale Onafhankelijke Blok, de Albanese Democratische Alliantie en anderen. De doelstelling van deze organisaties is een etnisch puur 'Groot-Albanië'. Het UCK moet het ook vooral hebben van buitenlandse militaire en financiële steun. De belangrijkste financiële middelen krijgt de organisatie uit de kringen van Albanees/Kosovaarse migranten, voor een (groot) deel uit de opbrengst van criminele activiteiten zoals drugshandel. Haar belangrijkste uitvalsbasis in Albanië ligt in het noorden van dat land dat gedomineerd wordt door de vroegere rechtse president Berisha.

Waarom Servië?

Dit streven naar afscheiding wint aan politieke betekenis met de ontmanteling van het socialisme in Oost-Europa en de opdeling van Joegoslavië, op de achtergrond gesteund door de Bondsrepubliek Duitsland, die de belangrijk spil was achter de afscheiding van Slovenië, Kroatië en Bosnië. Op de Balkan staan voor de grootmachten grote belangen op het spel. Het gebied is van strategisch belang voor hen en is rijk aan grondstoffen. Servië is een van de weinige landen in de regio die weigeren zich onder het juk van de VS of Duitsland te plaatsen en weigert vooralsnog neoliberale hervormingen (volledig) door te voeren. Die opstelling van één van de machtigste staten op de Balkan vormt een belemmering voor de ontplooiing van de imperialistische belangen die zich nimmer iets gelegen hebben laten liggen aan de rechten van welke nationale minderheid dan ook.

1. Haagsche Courant, 1-10-98.

2. WW, 8-10-98.

3. Jugoslovenski Komunisti, 1 april 1998.

Joegoslavische communisten: Vreedzame en democratische oplossing voor Kosovo

De Joegoslavische communisten (1) pleiten voor een vreedzame en democratische oplossing van het probleem van Kosovo en Metohija. Zo'n oplossing is volgens hen alleen mogelijk als de volgende principes worden gerespecteerd: respect voor en bescherming van de nationale karakteristieken van alle naties en nationaliteiten in Kosovo en Metohija; bevordering naar inhoud en vorm van een gemeenschappelijk samenleven; een adequate mate van autonomie en zelfbestuur in Kosovo en Metohija; verantwoordelijkheid van politieke krachten en hun afzien van nationalistische doelen; afzien van geweld, terrorisme, separatisme en het streven naar afscheiding; territoriale ondeelbaarheid van Servië en de onschendbaarheid van haar grenzen; volledige gelijkheid voor de bevolking, naties en nationale minderheden.

Jugoslovenski Komunisti stelt dat de enige weg naar het scheppen van voorwaarden en een basis voor een gemeenschappelijk samenleven de weg van een politieke dialoog is.

1. Jugoslovenski Komunisti, 1 april 1998.


| top | NAVO-Joegoslavië |