| Deel 1 |

Het socialisme en de natie (1)

Door A.S. de Leeuw (*)

Communisten zijn het er allemaal over eens: de NAVO is het militaire apparaat van het imperialisme. Het dient er alleen maar toe om de westerse belangen veilig te stellen, ten koste van de arbeidersklasse in de gehele wereld. De bewijzen voor een vooropgezet plan om de Balkan te destabiliseren en de westerse belangen te versterken op de Balkan, in de landen van de ex-Sovjet-Unie en het Midden-Oosten zijn legio. Daarom moet de NAVO verdwijnen, om te beginnen uit de Balkan. Maar hoe moeten we het vraagstuk van het zelfbeschikkingsrecht op de Balkan bekijken? Een theoretische beschouwing in drie delen, vandaag deel 1.

Om deze vraag te beantwoorden is het goed om terug te grijpen op het boek van mr. A.S. de Leeuw, uit 1939, met de titel "Het socialisme en de natie". De CPN-er De Leeuw, door de Duitsers vermoord, bracht in dat boek de bolsjewistische visie op het nationaliteitenvraagstuk op een eigentijdse wijze tot leven. Zijn benaderingswijze en heldere schrijftrant maken dat boek zeer lezenswaard. De bestudering van het boek is zeker aan te raden, omdat het onderwerp op dit moment uiterst actueel is en de inhoud nog altijd volledig juist. Hieronder enkele passages uit het hoofdstuk: "De Bolsjewiki en het nationale vraagstuk".

Begin citaat

[Sinds het begin van de eeuw hielden de nationale vragen de voornaamste theoretici van de sociaal-democratie (toen nog inclusief de bolsjewistische strekking, WvdK) bezig. De reden was niet ver te zoeken: in het politieke leven zelf traden die problemen op de voorgrond. (...) Op de Balkan waren een hele reeks van naties tot historisch en politiek leven ontwaakt. (...) ...Nationale revoluties braken uit... (...) De leiders van de Bolsjewiki kozen in deze discussie partij in een aantal geschriften, waarvan hier een drietal als de belangrijkste genoemd mogen worden. In 1913 verscheen een studie over "Het Marxisme en het nationale vraagstuk", waarin de auteur glashelder en grondig zowel de principieel-theoretische, als de daarmee voor Rusland verbonden tactische vragen toelichtte. De schrijver was Stalin, toen reeds een van de leiders van de Russische arbeidersbeweging en de bolsjewistische partij en de meest vertrouwde onder Lenins medewerkers. (...) Het artikel verscheen onder Lenins redactie en het trok de aandacht zelfs van de 'Neue Zeit', het gezaghebbende marxistische tijdschrift van de Duitse partij, dat anders op de Russische 'fractietwisten' hooghartig placht neer te zien... In 1913 en 1914 zette Lenin de behandeling van het vraagstuk voort in twee grote polemieken: "Kritische opmerkingen over het nationale vraagstuk" en "Over het recht van de naties op zelfbeschikking". Deze drie studies kunnen als één geheel beschouwd worden; tezamen geven zij de grondslag voor het leninistische standpunt ten aanzien van de natie en haar rechten, en daarmee ook de sleutel tot wat Lenin over deze geduchte vraagstukken tijdens de oorlogsjaren geschreven heeft, maar ook voor het begrip van de nationale politiek van de Sovjet-Unie.

"Wat is de natie?" - het is de eerste vraag, die Stalin in zijn verhandeling moest stellen. - Het is duidelijk dat de natie een gemeenschap van mensen is. Doch een gemeenschap, die niet op ras- of stamverwantschap berust, maar die zich historisch gevormd heeft; tot dezelfde natie kunnen personen van verschillend ras of afkomst behoren. Echter, een voorbijgaande formatie, een spoedig weer uiteenvallend conglomeraat, vormt evenmin een natie - zij is een duurzame, niet een voorbijgaande gemeenschap.

Waardoor wordt deze gemeenschap gekenmerkt? Door eenheid van taal, ongetwijfeld. Zonder een gemeenschappelijke taal kan er geen natie bestaan. Maar daarom kunnen personen, die dezelfde taal spreken, nog wel tot verschillende naties behoren, zoals de Engelsen en de Ieren, de Engelsen en de Noord-Amerikanen, of de Duitsers en de Oostenrijkers. Om een natie te vormen is ook gemeenschap van grondgebied nodig, immers "de natie vormt zich alleen als gevolg van een langdurige en regelmatige omgang, als gevolg van het samenleven van mensen van geslacht op geslacht. Maar een langdurig samenleven is niet mogelijk zonder gemeenschappelijk grondgebied."

Doch om een natie te vormen zijn ook gemeenschap van taal en grondgebied nog niet voldoende. Nodig is ook een innerlijk economisch verband, en dus gemeenschap van economisch leven. Bij de productie voor eigen gebruik en de politieke verbrokkeling, bron van eindeloze kleinere en grotere botsingen, die bijvoorbeeld de middeleeuwen kenmerkten, is een natie in de eigenlijke zin van het woord niet mogelijk. De natie ontwikkelt zich pas met de groei van het economische leven, van de verkeerswegen en de arbeidsdeling binnen het gemeenschappelijk grondgebied.

Uit het samenleven onder deze bepaalde, voor elke natie verschillende omstandigheden van taal, grondgebied en economisch leven, ontwikkelt zich ook een eigen psychische gesteldheid - het nationale karakter, dat in de eigen aard van de nationale cultuur tot uitdrukking komt. Zo komt Stalin tenslotte tot een volledige en veelzijdige definitie: "De natie is een zich historisch gevormd hebbende, duurzame gemeenschap van taal, grondgebied, economisch leven en psychische gesteldheid, die in gemeenschap van cultuur tot uiting komt." Uit deze definitie volgt dat de natie een historisch verschijnsel is, en als zodanig onderworpen aan de wet der veranderlijkheid. Zij heeft "haar eigen geschiedenis, haar begin en haar einde."

Deze definitie is ook polemisch bedoeld tegenover een andere, in marxistische kringen (toentertijd WvdK) meer gangbare, die van Otto Bauer. Hij toch, definieerde de natie als "de samenvatting van mensen, die door lotsgemeenschap tot een karaktergemeenschap zijn verbonden."
Hier wordt dus één van de kenmerken van de natie - het nationale karakter nl. - gescheiden en losgerukt van de andere kenmerken, op de grondslag waarvan het zich alleen ontwikkelen kan. "Wat is het nationale karakter anders dan de weerspiegeling van de levensverhoudingen, dan een bezinksel van indrukken, verkregen uit het omringende milieu? Hoe kan men zich alleen tot het nationale karakter beperken en het van de bodem, die het heeft voortgebracht, isoleren en losrukken?"
Men ziet dat de geschetste opvatting het nationale karakter noch ontkent, noch kleineert. Zij verwerpt alleen de theorie, die dit psychologische element op zichzelf wil stellen, afgescheiden van de maatschappelijke omstandigheden, waaruit het gegroeid en voortgekomen is en waarvan het afhankelijk blijft.

Niet alleen is de natie een historische categorie, er is ook een bepaald tijdperk aan te wijzen, waarin de naties tot volle ontwikkeling komen. Dat is het tijdvak van het opkomende kapitalisme. "Het proces van de liquidatie van het feodalisme en de ontwikkeling van het kapitalisme is feitelijk het proces van de aaneensluiting van de mensen tot naties". De natie ontstaat, waar het opkomende kapitalisme over de feodale verbrokkeling zegeviert; en in West-Europa betekent de vorming der naties in de regel ook de vorming van zelfstandige nationale staten.

In Oost-Europa ontwikkelt het kapitalisme zich veel langzamer. Daaraan beantwoordt een kenmerkende eigenschap van de politieke structuur: in het Oosten vindt men (in 1913) de 'nationaliteiten-staten' zoals Oostenrijk-Hongarije, met zijn talrijke volkeren, onder welke de Duitse en de Hongaarse de andere beheersen, en het Russische Rijk, waar de Groot-Russen het heersersvolk zijn. De nationale bewegingen die in de 19e eeuw in Oost--Europa geboren worden, zijn de bewegingen van de onderdrukte naties in de nationaliteiten-staten, die gelijkstelling met de heersende volkeren eisen, gelijkheid voor de eigen taal en cultuur (zoals nu nog de Koerden en andere volkeren in het 'Koerdische deel' van Turkije, WvdK) en tenslotte: onafhankelijkheid, de vorming van een eigen nationale staat. In de 19e eeuw is de nationale bourgeoisie in deze bewegingen de leidende kracht, die daarbij in de regel de steun van de arbeiders en de boeren verwerft.

Ook het proletariaat moet strijden tegen de nationale onderdrukking. "De beperking van de bewegingsvrijheid, het ontberen van het kiesrecht, de onderdrukkingsmaatregelen tegen de taal, het inkrimpen van het aantal scholen en soortgelijke onderdrukkingsmaatregelen raken de arbeiders zeker niet minder, zoal niet meer dan de bourgeoisie." Bovendien eist de nationale strijd alle aandacht op en verhindert hij op die manier, dat de sociale vragen de hun toekomende aandacht krijgen. Ook zetten de onopgeloste nationale tegenstellingen de arbeiders van verschillende volkeren tegen elkaar op en belemmeren zij hun internationale aaneensluiting. Daarom verkondigt de sociaal-democratie (bedoeld wordt hier wat nu communisme heet, WvdK) van alle landen het recht van de naties op zelfbeschikking. Dat recht betekent "dat de natie zich naar eigen wens kan inrichten. Zij heeft het recht, haar leven in te richten volgens de beginselen van de autonomie (zelfstandigheid/zelfbestuur, WvdK). Zij heeft het recht, met andere naties federatieve betrekkingen aan te knopen. Zij heeft het recht zich volkomen af te scheiden. De natie is soeverein en alle naties zijn rechtsgelijk." De sociaal- democratie (de communisten dus, WvdK) erkent dat recht, maar dat wil niet zeggen, dat zij ook elke willekeurige nationale eis of beweging ondersteunt. Zij heeft haar eigen politiek, waartoe zij de natie poogt te overreden; die politiek is erop gericht, een einde te maken aan elke nationale onderdrukking om de strijd tussen de naties op te heffen, zoveel maar mogelijk is. Het recht tot zelfbeschikking betekent, dat de natie ook de politieke bestaansvorm mag kiezen, die zij wenst - hetzij zelfbestuur, federatie of onafhankelijkheid (WvdK). Maar welke oplossing komt het meest overeen met de belangen van de volksmassa's? Dat kan men niet eens-voor-al vaststellen, het hangt telkens van de historisch-gegeven omstandigheden af. Onder verschillende omstandigheden kan de arbeiderspartij verschillende van deze oplossingen aanbevelen, zonder daarmee het zelfbeschikkingsrecht van de naties aan te tasten. Waarschuwen moet men tegen de poging, om overal volgens hetzelfde schema propaganda te maken voor een bepaalde oplossing, die door de Oostenrijkse theoretici Renner en Bauer aan de hand was gedaan, de zogenaamde nationaal-culturele autonomie. (...) De voorstellen van Bauer en Renner waren ook nog onaannemelijk, omdat zij de nationale verschillen kunstmatig conserveerden, ook daar, waar door de verspreiding en menging der volkeren een onderlinge assimilatie plaatsvond, en omdat zij de 'nationale eenheid' van arbeidersklasse en bourgeoisie bevorderden, onder de leiding van de laatste. De erkenning van het zelfbeschikkingsrecht betekent volstrekt niet, dat het de plicht van de socialisten (lees communisten, WvdK) zou zijn, om nationale onderscheiden kunstmatig in stand te houden, waar zij uit zichzelf hun betekenis beginnen te verliezen! Dit is dan de voornaamste inhoud van Stalins verhandeling. (...) Het bolsjewistische standpunt blijkt een nadere uitwerking te zijn van de marxistische opvattingen, die wij in het eerste deel van dit boek hebben leren kennen. Een uitwerking, op grond van de ervaring van de arbeidersbeweging en van de nieuwe situatie, die voor het Donau-gebied en het Russische Rijk wel heel grondig verschilde van die van 1848! Er is derhalve niets verwonderlijks aan, dat Lenin en Stalin ten aanzien van de Tsjechen of de Polen tot andere praktische conclusies kwamen, dan hun leermeesters, in 1848 of later. In de twee reeds genoemde polemieken heeft Lenin deze beginselen uitgewerkt met het oog op een aantal vragen van de dag, die de socialistische beweging destijds bezighielden, zoals de toekomst van Polen en het lot van de Donau-volkeren.
Wij willen hier met enkele aanhalingen volstaan. Over de economisch-maatschappelijke voorwaarden, waaronder nationale bewegingen ontstaan, schreef Lenin: "In de gehele wereld was het tijdperk van de definitieve overwinning van het kapitalisme op het feodalisme verbonden met nationale bewegingen. De economische grondslag van deze bewegingen bestaat hierin, dat voor de volledige overwinning van de warenproductie nodig zijn de verovering van de binnenlandse markt door de bourgeoisie, de aaneensluiting tot één staat van een grondgebied met een bevolking, die één taal spreekt, met verwijdering van alle hinderpalen voor de ontwikkeling van die taal en zijn vastlegging in de literatuur. De taal is het gewichtigste middel van het menselijke verkeer; de eenheid van taal en zijn ongehinderde ontwikkeling vormen één van de belangrijkste voorwaarden voor een werkelijk vrije en brede warenomzet, in overeenstemming met het moderne kapitalisme, voor een vrije en brede groepering van de bevolking over alle verschillende klassen, tenslotte voor de nauwe verbinding van de markt met elke producent of kleine producent, koper en verkoper, zonder uitzondering.
Daarom streeft elke nationale beweging naar de vorming van
nationale staten, die deze eisen van het moderne kapitalisme het best bevredigen. De diepste economische factoren drijven hiertoe en voor geheel West-Europa - meer nog: voor de gehele beschaafde wereld - is daarom de nationale staat typisch, normaal voor de kapitalistische periode."

Daarom brengt het "recht van de volkeren op zelfbeschikking" dan ook het recht mee op de vorming van een zelfstandige nationale staat, en dus op de politieke afscheiding van collectiviteiten van andere nationaliteiten. Het marxisme negeert de
nationale bewegingen dus niet, het erkent hun waarde en betekenis - maar het vervalt hierbij niet tot nationalisme:
"Het principe van de nationaliteit is historisch onvermijdelijk in de burgerlijke maatschappij, en met die maatschappij rekening houdende, erkent de marxist ten volle de historische gewettigdheid van de nationale bewegingen.
Maar opdat deze erkenning niet tot een apologie (verdediging) van het nationalisme wordt, is het nodig, dat zij zich ten strengste beperkt tot wat er
vooruitstrevend (WvdK) is in deze bewegingen - opdat die erkenning niet leidt tot een vertroebeling van het proletarische bewustzijn door de burgerlijke ideologie. Progressief is het wekken van de massa's uit de feodale slaap, hun strijd tegen elke nationale onderdrukking, voor de soevereiniteit van het volk, voor de soevereiniteit van de natie.

Vandaar de absolute verplichting voor een marxist om het meest besliste en consequente democratisme in alle onderdelen van het nationale vraagstuk te verdedigen. Dat is een in hoofdzaak negatieve taak (WvdK). Maar verder kan het proletariaat in de ondersteuning van het nationalisme niet gaan, want verder begint de 'positieve' werkzaamheid van de bourgeoisie, die naar de versterking van het nationalisme streeft... Hier is een grens, die dikwijls subtiel is..."

Socialisten (lees communisten, WvdK) mogen nooit vergeten, dat zich naast de tendens tot het vormen van nationale staten, reeds onder kapitalistische verhoudingen ook een internationaliserende tendens openbaart: "Het zich ontwikkelende kapitalisme kent twee historische tendensen in het nationale vraagstuk. De eerste is: het ontwaken van het nationale leven en van de nationale bewegingen, de strijd tegen elke nationale onderdrukking, de vorming van nationale staten. De tweede is de ontwikkeling en de vermenigvuldiging van allerlei betrekkingen tussen de naties, het afbreken van de nationale omheiningen, de vorming van de internationale eenheid van het kapitaal, van het economische leven in het algemeen, de politiek, de wetenschap, enz.
Beide tendenties zijn een algemene wet van het kapitalisme.
De eerste overheerst in het begin van zijn ontwikkeling, de tweede kenmerkt het rijpe kapitalisme, dat op weg is naar zijn gedaanteverandering in de socialistische maatschappij.
Het nationale program van de marxisten houdt met beide tendensen rekening doordat het:
1. de rechtsgelijkheid van de naties en talen verdedigt en de ontoelaatbaarheid van voorrechten, welke dan ook, in dit opzicht (en ook het recht van de naties tot zelfbeschikking...) en
2. het beginsel van het internationalisme en de onverzoenlijke strijd tegen de besmetting van het proletariaat met het burgerlijke nationalisme, al was het ook het meest geraffineerde, verdedigt."
Op deze tendentie naar internationalisme legt Lenin steeds de nadruk; hij hecht er de hoogste waarde aan, als één van de voorwaarden tot de socialistische maatschappij, en voor de arbeidersbeweging acht hij het internationalisme onmisbaar. Lenin dringt er dan ook op aan, dat de organisaties van de arbeiders niet volgens het nationale principe versplinterd zullen worden... ]

Einde citaat

Uiteraard is het kapitalisme in zijn huidige wereldwijd ontwikkelde imperialistische vorm, veel meer nog dan in Lenins tijd, uit op het slopen van bestaande grenzen. Om een actuele analyse te kunnen maken over de huidige Balkan-oorlog zullen we eerst nog het vervolg van het hoofdstuk uit het boek van De Leeuw plaatsen in het komende nummer van Manifest.

(*) bewerking en commentaar Wil van der Klift


| Deel 1 |