Het socialisme en de natie (2)
Door A.S. de Leeuw (*)
Communisten zijn het er allemaal over eens: de NAVO is het militaire apparaat van het imperialisme. Het dient er alleen maar toe om de westerse belangen veilig te stellen, ten koste van de arbeidersklasse in de hele wereld. De bewijzen voor een vooropgezet plan om de Balkan te destabiliseren en de westerse belangen te versterken in de Balkan, de landen van de ex-Sovjet-Unie en het Midden-Oosten zijn legio. Daarom moet de NAVO verdwijnen, om te beginnen uit de Balkan. Maar hoe moeten we het vraagstuk van het zelfbeschikkingsrecht in de Balkan bekijken? Een theoretische beschouwing in drie delen. Vandaag deel twee.
Om deze vraag te beantwoorden is het goed om het boek van mr. A.S. de Leeuw, uit 1939, met de titel "Het socialisme en de natie" te lezen. De CPN-er de Leeuw, door de Duitsers om het leven gebracht, bracht in dat boek de bolsjewistische visie op het nationaliteitenvraagstuk op een eigentijdse wijze, tot leven.
Het kapitalisme is in zijn huidige imperialistische vorm, veel meer nog dan in Lenins tijd en zelfs in vergelijking met de periode waarin De Leeuw zijn boek schreef, uit op het slopen van bestaande grenzen. Om een actuele analyse te kunnen maken over de huidige Balkanoorlog eerst nog het tweede deel van het hoofdstuk uit het boek van De Leeuw.
Begin citaat
(...) "De leuze van de arbeidersdemocratie is niet de "nationale cultuur" maar de internationale cultuur van het democratisme en de wereldbeweging van de arbeidersklasse". (...) "Ja, de internationale cultuur is niet onnationaal... In iedere nationale cultuur zijn er elementen, zij het ook niet ontwikkeld, van een democratische en socialistische cultuur, want in elke natie bestaat een werkende en uitgebuite massa, wier levensomstandigheden noodzakelijk een democratische en socialistische ideologie voortbrengen. Maar in elke natie bestaat ook een burgerlijke cultuur (...) en bovendien niet slechts in de vorm van "elementen", maar in de vorm van de heersende cultuur. Daarom is de "nationale cultuur" in het algemeen de cultuur van de landheren, de clerus, de bourgeoisie... De leuze van de "internationale cultuur van het democratisme en de arbeidersbeweging van de hele wereld" opstellende, nemen wij uit elke nationale cultuur alleen zijn democratische en socialistische elementen, nemen we die alleen, en onvoorwaardelijk in tegenstelling tot de burgerlijke cultuur, het burgerlijk nationalisme van elke natie...
Er zijn twee naties in elke moderne natie - zo zeggen wij tot alle nationaal-socialen. Er zijn twee nationale culturen in elke nationale cultuur. (...) Lenin erkent de noodzakelijkheid en de vooruitstrevendheid van de nationale bewegingen in het algemeen; maar hij ziet de zaak steeds uit het oogpunt van de belangen van de maatschappelijke ontwikkeling en het socialisme; van elk nationalisme is hij de onverbiddelijke vijand, en hij hecht de grootste waarde aan de internationale tendensen, die zich óók onder het kapitalisme baanbreken, aan de internationale solidariteit van de arbeidersklasse in het bijzonder. Gegeven dit uitgangspunt, volgen er bepaalde conclusies:
"De arbeidersklasse ondersteunt de bourgeoisie alleen in het belang van de nationale vrede (die de bourgeoisie niet ten volle kan geven en die alleen naarmate er sprake is van de volle democratisering te verwerkelijken is), in het belang van de rechtsgelijkheid, van de beste voorwaarden voor de klassenstrijd. Daarom stellen de proletariërs tegen het practicisme van de bourgeoisie juist de principiële politiek in het nationale vraagstuk op de voorgrond, waarbij zij de bourgeoisie altijd slechts voorwaardelijk ondersteunen. Iedere bourgeoisie wil in nationaal opzicht ofwel voorrechten voor haar eigen natie, of speciale voordelen voor haar; dat noemt men nu juist "praktisch". Het proletariaat is tegen alle privileges, tegen elke exclusiviteit.
...De bourgeoisie stelt haar eigen nationale eisen altijd op het eerste plan. Zij stelt die eisen onvoorwaardelijk. Voor het proletariaat zijn zij ondergeschikt aan de belangen van de klassenstrijd... Het proletariaat erkent de rechtsgelijkheid en het gelijke recht op een nationale staat, maar het stelt en waardeert boven alles het verbond van de proletariërs van alle naties en beoordeelt onder het gezichtspunt van de klassenstrijd van de arbeiders elke nationale eis, elke nationale afscheiding..."Lenin en Stalin hadden zich uitgesproken voor het zelfbeschikkingsrecht, wat in het uiterste geval het recht op onafhankelijkheid en afscheiding insluit. (...) Dat betekent niet, dat elke afscheiding van de ene natie ten opzichte van de andere moet worden aanbevolen. (...)
De grote polemiek
Lenin komt nu in 1915 en 1916 telkens en telkens weer op deze vraagstukken terug, op zichzelf al een bewijs, welk een gewicht hij er aan toekent. (...) Lenins artikelen uit die periode zijn in hoofdzaak gericht tegen personen en richtingen, die in andere opzichten een tijd lang met Lenin en de bolsjewistische partij samenwerkten. (...)
Het ging weer over het recht der naties op zelfbeschikking, waarover Rosa Luxemburg, Radek c.s. de schouders ophaalden. "Het niet bestaande zelfbeschikkingsrecht", schreef Radek en hij ontkende, dat de socialisten deze leuze tot de hunne konden of moesten maken. Niet de zelfbeschikking der volkeren, maar de revolutionaire massastrijd van het proletariaat tegen het kapitalisme, moest naar zijn mening aan de orde van de dag worden gesteld. Want volgens Radek waren alle nationale vragen nu tot vragen van het imperialisme geworden, het ideaal van de nationale staat had zich "overleefd", en men kon, in het imperialistische tijdperk, het rad van de geschiedenis niet terugwentelen. Lenin antwoordde hem, dat in landen als Engeland, Frankrijk, Italië, Duitsland, de nationale bevrijdingsbeweging in het verleden mocht liggen, maar niet in Oost-Europa, in Azië, Afrika, de koloniën, waar deze beweging het heden en de naaste toekomst vulde."Het imperialisme betekent, dat het kapitaal te groot wordt voor de grenzen van de nationale staten, het betekent de uitbreiding en verscherping van de nationale onderdrukking op een nieuwe historische grondslag. Daaruit volgt ondanks Radek juist, dat wij de revolutionaire strijd voor het socialisme moeten verbinden met het revolutionaire program in het nationale vraagstuk. Bij Radek komt het hierop neer, dat hij in naam van de socialistische revolutie het consequent revolutionaire program op het democratische terrein met verachting verwerpt. Dat is onjuist. Het proletariaat kan niet anders overwinnen dan door de democratie, d.w.z. door de democratie volledig te verwerkelijken en de democratische eisen in hun meest krachtdadige formulering met elke stap van zijn strijd te verbinden. Het is dwaas, de socialistische revolutie en de revolutionaire strijd tegen het kapitalisme te stellen tegenover één van de vraagstukken van de democratie, in dit geval het nationale vraagstuk... Het is zeer goed denkbaar, dat de arbeiders van een of ander bepaald land de bourgeoisie omver zullen werpen voor de volledige verwerkelijking van al was het maar één radicale democratische hervorming. Maar het is geheel ondenkbaar, dat het proletariaat als historische klasse de bourgeoisie zou kunnen overwinnen, als het daartoe niet voorbereid is door de opvoeding in de geest van het meest consequente en revolutionair-doortastende democratisme. (...)
Wij eisen de vrijheid van zelfbeschikking, d.w.z. van onafhankelijkheid, d.w.z. de vrijheid tot afscheiding van de onderdrukte naties, niet om te dromen van een economische verbrokkeling of van het ideaal van kleine staten, maar integendeel omdat wij grote staten en de toenadering, zelfs de samensmelting van de naties wensen, maar op een waarlijk-democratische, waarlijk-internationalistische basis, die ondenkbaar is zonder de vrijheid van afscheiding". (...)
Het recht op zelfbeschikking, tot afscheiding en vorming van een zelfstandige staat betekent natuurlijk volstrekt niet de plicht tot afscheiding.
Daarop legt Lenin telkens weer de nadruk:
"Concreet betekent deze eis van de politieke democratie, de volle vrijheid tot agitatie voor de afscheiding en de beslissing van de vraag over de afscheiding door een referendum van de natie, die over haar afscheiding een besluit moet nemen. Deze eis is dus volstrekt niet van gelijke kracht als de eis tot afscheiding, tot verbrokkeling, tot vorming van kleine staten. Hij betekent alleen de consequente uitdrukking van de strijd tegen elke nationale onderdrukking. Hoe dichter de democratische staatsinstellingen tot de volle vrijheid van afscheiding naderen, des te zeldzamer en zwakker zullen in de praktijk de strevingen tot afscheiding zijn, want de voordelen van grote staten zijn ontwijfelbaar, zowel van het gezichtspunt van de economische vooruitgang, als van dat van de belangen der massa, en zij groeien steeds met de groei van het kapitalisme." (...)
Tenslotte herinnert Lenin er aan, dat het internationale socialistische congres reeds in 1896 het recht van de naties op zelfbeschikking heeft erkend. Deze erkenning moet nu aangevuld worden, door te wijzen op:
1. "het bijzondere belang van deze eis tijdens het imperialisme";
2. de politieke relativiteit en de klasseninhoud van alle eisen der politieke democratie, daaronder ook deze;
3. de noodzakelijkheid, de concrete taken van de sociaal-democraten van de onderdrukkende naties en van de onderdrukte naties te onderscheiden;
4. het feit, dat de opportunisten en Kautskyanen de zelfbeschikking op inconsequente wijze, alleen in woorden en tengevolge daarvan politiek gesproken, op huichelachtige wijze, erkennen;
5. dat de sociaal-democraten, vooral zij die tot de naties der grote mogendheden behoren (...) wanneer zij de vrijheid tot afscheiding van de koloniën en naties, die door "hun" naties onderdrukt worden niet verdedigen, in feite gelijk staan met chauvinisten;
6. de noodzakelijkheid, de strijd voor déze eis, zoals voor alle fundamentele eisen van de politieke democratie, ondergeschikt te maken aan de directe revolutionaire massastrijd voor de omverwerping van de burgerlijke regeringen en de verwerkelijking van het socialisme."
(...)
einde citaat
Bij een actuele analyse over het zelfbeschikkingsrecht op de Balkan moeten we er dus op letten:
- De aard van het nationalisme te bestuderen, waarbij afstand moet worden genomen van elk burgerlijk nationalisme;
- Het zelfbeschikkingsrecht en de feitelijke strijd voor afscheiding in relatie te brengen tot de noodzaak van groei naar gezamenlijkheid en grotere staten;
- Dat de vrijheid tot afscheiding nog geen plicht daartoe betekent;
- Dat de strijd tegen het imperialisme de nationale strijd voor zelfbeschikking onverlet laat en dat er voortdurend aandacht moet zijn voor de ontwikkeling van meer democratie;
- Dat de strijd voor zelfbeschikking ondergeschikt is aan de klassenstrijd;
- Het gaat om concrete analyses, niet om abstracte tijdloze.Al deze elementen spelen een rol bij de beoordeling van 'de kwestie Kosovo'.
(*) bewerking en commentaar Wil van der Klift