Deel III (tevens slot): Na het beëindigen van het conflict

De dagorder van de Navo voor Kosovo na de oorlog

Zowel de moordpartijen in het dal van de Medak alsook "Operatie Storm" in Kroatië hangen heel direct samen met de stand van zaken betreffende de veiligheid in Kosovo en de moordpartijen en etnische zuiveringen door troepen van het UCK. Hoewel de situatie in Kroatië heel anders was, behoren toch sommigen, die direct met de planning van beide operaties van het Kroatische leger te maken hadden, tot de huidige sleutelfiguren in Kosovo. Bovendien heeft het VS-huurlingenconsortium MPRI, dat in 1995 met het Kroatische leger samenwerkte, een contract met het UCK. Over de benoeming van brigadegeneraal Agim Ceku tot stafchef van het UCK gaf Navo-woordvoerder Jamie Shea in een persbericht in mei slechts terloops een nietszeggend commentaar: "Zoals u wel weet, heb ik steeds weer duidelijk gezegd, dat de Navo geen directe contacten heeft met het UCK. Wie zij tot hun leiders benoemen, is geheel en al hun zaak. Ik heb daar verder niets over te zeggen." (45)

Hoewel de bewijzen het tegendeel bevestigden, beweerde de Navo "geen directe contacten met het UCK" te hebben. In feite kon de terreur van het UCK met de stilzwijgende toestemming van de Navo in het Kosovo van na de oorlog vaste voet aan de grond krijgen. De steun aan het UCK is rijkelijk gedocumenteerd. Diverse rapporten tonen aan, dat reeds halfweg de jaren 90 het UCK in het geheim hulp en scholing kreeg van de CIA en de Duitse nieuwsdienst (BND). ovendien bestond de samenwerking van het UCK met de huurlingen van het MPRI al vóór de Navo-bombardementen. (46) En de hulp bij de opbouw van de troepenmacht van het UCK was allang onderdeel van de Navo-plannen. Reeds in de zomer van 1998 is de militaire Navo-alliantie van de, tot dan, geheime steun aan het UCK overgegaan op openbare hulp. Wie kan het eigenlijk wat schelen, dat daardoor diverse resoluties van de VN-veiligheidsraad op grove wijze worden geschonden. Resolutie UNSCR nr. 1160 van 31 maart 1998 veroordeelde zeer scherp "alle terreurdaden door het UCK, door een andere groep of een individu en elke ondersteuning van buitenaf van terroristische activiteiten in Kosovo, inclusief de financiering ervan, bevoorrading met wapens en training."

Navo-ambtenaren, staatshoofden uit het Westen en regeringsleiders, de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, en niet te vergeten Louise Arbour, de hoofd-aanklager van het Tribunaal voor oorlogsmisdaden in Den Haag, moeten beslist allemaal afgeweten hebben van de participatie van brigadegeneraal Agim Ceku in de plannen van de misdadige operaties "Storm" en "Verschroeide Aarde". In ieder geval hadden er wel enkele vragen gesteld mogen worden.

Na de bombardementen in Kosovo wordt het echter duidelijk zichtbaar, dat de Navo gewoon doorgaat met haar activiteiten op de Balkan en dat ze wil uitbreiden. Militair personeel en VN-ambtenaren, die voorheen in Kroatië of Bosnië gestationeerd waren, worden automatisch naar Kosovo overgeplaatst. Daar komt bij, dat het patroon van Kroatië en Servië steeds weer wordt herhaald. KFOR-commandant Sir Michael Jackson bijv. was voorheen als IFOR-commandant verantwoordelijk voor het organiseren van de terugkeer van de uit Krajina verdreven Serviërs. (47) En in deze functie heeft Sir Michael Jackson erop gestaan, "dat men met de terugkeer en het zich opnieuw vestigen [van de Krajina-Serviërs] rustig aan moest doen, om spanningen met de Kroaten te vermijden". Tegelijkertijd waarschuwde hij de Serviërs, die graag terug wilden, voor het ernstige gevaar van landmijnen. (48) Terugkijkend kunnen we vaststellen, dat zelfs onder de bescherming van de VN slechts zeer weinig Krajina-Serviërs toestemming hebben gekregen naar hun vaderland terug te keren.

En een proces met een soortgelijk gedragspatroon van hoge NAVO-officieren is nu te zien in Kosovo. Inspanningen van de Navo ter bescherming van Serviërs en Roma in Kosovo blijken alleen loze gestes om de schijn van onpartijdigheid op te houden. Maar zij, die verdreven zijn, worden niet echt overgehaald tot terugkeer naar hun vaderland, onder de bescherming van de VN. In het Kosovo van na de oorlog worden de "etnische zuiveringen" door het UCK door de "internationale gemeenschap" als "fait accompli" geaccepteerd.

Terwijl de VS en haar bondgenoten luidkeels "democratie" en "goede regeringsstructuren" op de Balkan eisen, hebben ze in Kosovo geholpen een para-militaire regering, met verbindingen in de georganiseerde misdaad, te vestigen.

Geheel te voorzien als resultaat in deze ontwikkeling is de totale "criminalisering" van de civiele instanties van de staat en de voorzieningen en de vestiging van een systeem, dat het best omschreven kan worden als een "Mafia-staat". Bovendien zijn de Navo en de geallieerde regeringen door hun blijvende steun aan het UCK medeplichtig geworden, wat ook van toepassing is op de feitelijke "criminalisering" van het KFOR en het Vredeskorps van de VN in Kosovo. De internationale hulporganisaties en regeringen-donateurs (bijv. de financiële hulp van het VS-congres, die een schending is van meerdere resoluties van de VN-veiligheidsraad) zijn met betrekking tot de steun aan het UCK medeplichtig aan de criminalisering van de overheidsinstanties in Kosovo. Door het inschakelen van een para-militaire groep (gesteund en gefinancierd door Washington en Bonn) draagt de Navo uiteindelijk de last van de verantwoordelijkheid voor de moordpartijen op burgers en de etnische zuiveringen in Kosovo.

STAATSTERREUR EN "VRIJE MARKT"
Staatsterreur en "vrije markt" schijnen hand in hand te gaan. En de ermee gepaard gaande "criminalisering" van de overheidsinstanties in Kosovo gaat goed samen met de economische en strategische doelstellingen van het Westen op de Balkan. Ondanks de moordpartijen op burgers heeft de zelfbenoemde leiding van het UCK de verplichting op zich genomen om een "veilige en stabiele sfeer" te scheppen voor buitenlandse investeerders en internationale kredietinstellingen. Adem Grobozci, de minister van financiën, en andere vertegenwoordigers van de voorlopige regering in Kosovo, die bij de diverse donateur-conferenties zijn geweest, zijn allemaal door het UCK op hun posten geplaatst. Daarentegen zijn de leden van de DLK, de partij van Rugova, (door de etnische Albanezen van Kosovo tegelijk met de laatste parlementsverkiezingen legaal gekozen) geen enkele keer door het Westen uitgenodigd deel te nemen aan de "stabiliseringstop" in Sarajevo van eind juli 1999.

"Hervorming in markt-economische zin" zijn gepland, onder toezicht van het Bretton Woods Institute (Internationale Monetaire Fonds (IMF) en Wereldbank, vert.), voor Kosovo. Dit gebeurt uitgebreid conform de, in Rambouillet, door de Navo vastgelegde structuur. In artikel I (hoofdstuk 4 a) van de Rambouillet-akkoorden wordt uitdrukkelijk verklaard: "Het bedrijfsleven van Kosovo zal gebaseerd zijn op de grondregels van de vrije markt." Voornamelijk de UCK-regering zal verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze hervormingen en het veiligstellen van de condities, waaronder de leningen zijn verstrekt.

In nauwe samenwerking met de NAVO heeft het Bretton Woods Institute reeds de gevolgen van een eventuele militaire interventie en bezetting van Kosovo geanalyseerd; een jaar voor de oorlog begon. Bovendien heeft de Wereldbank diverse "noodsituaties" in Kosovo gesimuleerd, die zouden kunnen ontstaan uit de spanningen ter plaatse." (49)

De geplande "wederopbouw" van Kosovo, die gefinancierd moet worden door de uitbreiding van de internationale schulden, heeft tot doel de overdracht van de rechten ter exploitatie van de bodemschatten van Kosovo aan het multinationale kapitaal. In dit kader heeft het UCK reeds, in afwachting van de privatisering, de grootste kolenmijn bij Belacevac in Dobro Selo, ten noordwesten van Pristina, bezet. Van zijn kant heeft het buitenlands kapitaal het oog laten vallen op het uitgebreide mijnencomplex van Trepca, dat "het meest waardevolle bezit is van de hele Balkan, met een geschatte waarde van minstens 5 miljard dollar." (50) Het Trepca-complex beschikt niet alleen over kopermijnen en grote reserves aan zink, maar ook over cadmium, goud en zilver. Het bezit enkele smelt-installaties, 17 installaties voor het opwerken van metaal, een elektrische centrale en de grootste accu-fabriek van Joegoslavië. Het noorden van Kosovo beschikt bovendien over bodemreserves aan steen- en bruinkool van zo'n geschatte 17 miljard ton.

Onmiddellijk na de bombardementen werd het management van veel bedrijven overgenomen door mensen, die door het UCK benoemd werden. Daardoor zijn de leiders van de voorlopige regering van Kosovo (PRK) op hun beurt interessante bemiddelaars voor het multinationale kapitaal geworden, want ze zijn bereid, het bedrijfsleven van Kosovo tegen dump-prijzen aan buitenlandse investeerders te verkopen. Vast en zeker zal het land ook nog de levensgevaarlijke "economische therapie" van het IMF opgedrongen krijgen. Het gevolg zal zijn, dat het regionale bedrijfsleven uit elkaar valt en de landbouw ontregeld wordt. Plaatselijke industriële ondernemingen, die dan nog niet geheel verwoest zijn, zullen in faillissementen ten onder gaan. In het kader van het privatiseringsprogramma, dat door de Wereldbank wordt gepromoot, zullen de meest winstgevende bedrijven uiteindelijk terecht komen in de handen van buitenlands kapitaal. De "sterke economische medicijn", die (naar neoliberaal voorbeeld, vert.) buitenlandse crediteuren aan het lokale bedrijfsleven voorschrijven, zal eraan meewerken, het criminele bedrijfsleven weer op te laden, zoals dat in Albanië ook al gebeurde.

"De bondgenoten zullen met de anderen van de internationale gemeenschap samenwerken, om bij de heropbouw van Kosovo te helpen, zo gauw de crisis over is: Het Internationale Monetaire Fonds en de groep van de zeven rijkste industrielanden (G7) behoren tot hen, die bereid zijn, de landen van de regio financiële hulp aan te bieden. Wij zouden graag garanties zien voor de correcte coördinatie van de hulp en de landen helpen op de gevolgen van de crisis te reageren. Dit zou hand in hand moeten gaan met noodzakelijke structurele verbetering in de landen, waarbij die landen tevens op budgetaire steun van de internationale gemeenschap kunnen rekenen." (51)

Bovendien betekent de zogenaamde "heropbouw" van de Balkan door buitenlands kapitaal belangrijke contracten van vele miljarden voor buitenlandse bedrijven, voor het verruimen van de infrastructuur in Kosovo. Over het algemeen zullen van het voorgenomen "Marshall-plan" voor de Balkan, dat door de Wereldbank, de Europese Ontwikkelingsbank (EBRD) en sommige privé-kredietinstellingen gefinancierd moet worden, vooral de grote westerse mijnbouw-, aardolie- en bouwbedrijven profiteren. Daaraan gepaard zullen de buitenlandse schulden van de hele regio tot ver in het volgende millennium tot grote hoogte gedreven worden.

En Kosovo zal de neiging hebben deze schuld door het witwassen van vuil geld terug te betalen. Joegoslavische banken in Kosovo zullen dichtgaan. Het banksysteem zal onder toezicht van Westerse financiële instellingen ontregeld worden. Drugsdollars uit de drugshandel op de Balkan, vele miljarden, zullen 'gerecycled' worden om de buitenlandse schulden te kunnen betalen en de kosten van de "heropbouw" te bestrijden. De lucratieve stroom aan drugsdollars stelt zodoende de buitenlandse investeerders bij de "heropbouw" aanzienlijke en veilige winsten in het vooruitzicht. Bovendien garandeert het bestaan van Kosovo als drugsstaat een behoorlijke betaling van de internationale schulden. De internationale crediteuren zijn bereid, de herkomst van het geld over het hoofd te zien, als de schulden maar worden betaald. Zij zijn stilzwijgend geïnteresseerd bij een regering, die het wassen van drugsgelden vergemakkelijkt.

In dit opzicht lijkt het patroon in de ontwikkeling van Kosovo op dat, wat in buurland Albanië waargenomen kon worden. Sinds het begin van de jaren 90 hebben de hervormingen van het IMF de totale verarming van de Albanese bevolking tot gevolg gehad en voor het Albanese bedrijfsleven algeheel bankroet veroorzaakt. De ontwikkeling bereikte het hoogtepunt met het instorten van de bedrieglijke geldpyramides in 1996 en 1997. De dodelijke economische therapie van het IMF verandert landen in open regio's. In Albanië en, in geringere mate in Macedonië, is zij de oorzaak van de groei van de illegale handel en de criminalisering van overheidsinstanties.

Einde van deel III

Voetnoten bij deel III:

45. Navo persconferentie op 14 mei 1999.
46. Voor nadere informatie zie "Freedom Fighters" door Michel Chossudovsky
uit Kosovo, gefinancierd door "Organized Crime", CAQ, voorjaar-zomer 1999. 47. Het blad Jane Defence Weekly, jaargang 25, nr. 7, 14 februari 1996.
48. Idem.
49. Ontwikkelingsnieuws van de World Bank, Washington, 27 april 1999.
50. New York Times, 8 juli 1998, bericht van Chris Hedges.
51. Verklaring van Javier Solano, Secretaris-Generaal bij de Navo, gepubliceerd in The National.

vertaling uit het Duits Toos Plug